Citaat | Hoge Raad 18 april 1969
Alinea 37 Hoge Raad 18 april 1969
Een alinea uit Hoge Raad 18 april 1969, ECLI:NL:HR:1969:AC4925.
b) en het zo even sub a betoogde nog te meer klemt om dezelfde redenen als vermeld in onderdeel 1 sub d van dit middel, c) zijnde voorts onduidelijk en/of onbegrijpelijk, hoe het Hof heeft kunnen oordelen dat het geen verschil maakt of de afgraving al dan niet op verzoek van [betrokkene 1] heeft plaatsgehad, aangezien voor de vraag, of een eventuele verrijking van de Gemeente ongerechtvaardigd is respectievelijk of een door [betrokkene 1] geleden nadeel aan hem vergoed moet worden, voormelde omstandigheid mede van belang is en/of kan zijn en te dezen niet van belang is, dat [betrokkene 1] dit werk niet begonnen zou zijn met de wetenschap dat hem het werk aan de Berghaven niet zou worden gegund, en zulks zeker niet relevant is in het licht van de in onderdeel 1 sub d van dit middel bedoelde door de Rechtbank en het Hof vastgestelde omstandigheden en aldus ook in zoverre ’s Hofs arrest is niet naar de eis der wet met redenen omkleed; II. Schending van het recht alsmede verzuim van vormen waarvan het in acht nemen op straffe van nietigheid is voorgeschreven door te overwegen en te beslissen gelijk in voormeld arrest is weergegeven in het bijzonder door te overwegen dat de Gemeente is gebaat, ten onrechte omdat het Hof zijn arrest niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed, aangezien de Gemeente had aangevoerd dat de kosten van grondverbetering, indien deze nodig geweest zouden zijn zonder de door [betrokkene 1] verrichte afgraving, niet ten laste van haar (Gemeente) zouden zijn gekomen omdat deze geheel ten laste van de kopers der gronden zouden zijn gekomen zodat er van enige verrijking van haar (Gemeente) geen sprake kan zijn geweest, hebbende het Hof evenwel dienaangaande niet beslist in voege als rechtens vereist en in ieder geval het Hof heeft miskend, dat van een verrijking, laat staan een onredelijke verrijking, van de Gemeente niet gesproken kan worden, indien de kosten die anders zouden zijn gemaakt ten laste van derden zouden zijn gebracht;”; Overwegende dat Mr. de Vroom incidenteel als middel van cassatie aanvoert: “Schending van Nederlands recht doordat het Hof de reconventionele door Mr. de Vroom q.q. ingestelde vordering na de ontzegging bij het eindvonnis der Rechtbank van zijn, in de terminologie der Rechtbank, primaire vordering, die reconventionele vordering slechts heeft getoetst aan de eisen voor toewijzing van een vordering ter zake van ongerechtvaardigde verrijking, en het Hof die vordering tot de waarde van de door [betrokkene 1] geleverde prestatie en tot het beloop van door de verschaffing van die prestatie door de Gemeente verkregen verrijking ook als berustend op onverschuldigde betaling had behoren te beoordelen, nu gesteld was, of na de ontzegging van de primaire vordering en het eindvonnis der Rechtbank vaststond:
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/af61fc8aae0efa45a046147f40cc8f0cb302758eb512c86cded55c6fb46d05a2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt af61fc8aae0efa45a046147f40cc8f0cb302758eb512c86cded55c6fb46d05a2, en de alinea staat in dat document op bytes 45150 tot 48016.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/af61fc8aae0efa45a046147f40cc8f0cb302758eb512c86cded55c6fb46d05a2 | shasum -a 256