Citaat | Hoge Raad 18 april 1969

Alinea 45 Hoge Raad 18 april 1969

Een alinea uit Hoge Raad 18 april 1969, ECLI:NL:HR:1969:AC4925.

dat de daarin vervatte klacht, dat het Hof de vordering van [betrokkene 1] ter zake van het afgraven van de kleilaag ook als berustend op onverschuldigde betaling had behoren te beoordelen en uit dien hoofde toewijsbaar had moeten achten, faalt omdat, nu [betrokkene 1] de desbetreffende werkzaamheden hangende de beslissing of hem het werk zou worden gegund, zonder enige verplichting en slechts in de hoop en de verwachting dat zijn offerte zou worden geaccepteerd, heeft verricht, die verrichting niet kan worden aangemerkt als een betaling in de zin van artikel 1395 van het Burgerlijk Wetboek; Overwegende dat uit het vorenstaande volgt, dat het tweede middel in het principale beroep geen bespreking behoeft;

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/af61fc8aae0efa45a046147f40cc8f0cb302758eb512c86cded55c6fb46d05a2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt af61fc8aae0efa45a046147f40cc8f0cb302758eb512c86cded55c6fb46d05a2, en de alinea staat in dat document op bytes 53779 tot 54518.