Citaat | Hoge Raad 21 januari 1976
Alinea 22 Hoge Raad 21 januari 1976
Een alinea uit Hoge Raad 21 januari 1976, ECLI:NL:HR:1976:AX3822.
"dat belanghebbende van oordeel is, dat in de door hem als voormeld met zijn zuster gesloten overeenkomst geen bevoordeling uit vrijgevigheid besloten lag, zodat die overeenkomst geen grond kan opleveren voor het heffen van recht van schenking; dat dit oordeel van belanghebbende berust op zijn stelling, dat bedoelde overeenkomst op geheel zakelijke grondslag tot stand kwam als de uitkomst van wederzijdse afweging door beide partijen van de daaraan verbonden voor- en nadelen; dat het naar belanghebbendes mening vanzelf spreekt, dat bij die afweging ook de fiscale aspecten in aanmerking zijn genomen; dat, naar belanghebbende heeft betoogd, de bestaande familieband geen enkele invloed heeft gehad op het tot stand komen en de inhoud van de overeenkomst; dat belanghebbende er in dit verband op heeft gewezen, dat er voor hem, die kinderen heeft, geen aanleiding bestond een schenking te doen aan zijn in Zuid-Afrika wonende, in gunstige financiële omstandigheden verkerende, zuster; dat belanghebbende ontkent, dat de overeenkomst een bevoordeling van zijn zuster inhield; dat toch, naar belanghebbende aanvoert, bij de beoordeling van de door zijn zuster voor de haar toegekende lijfrente betaalde koopsom bedacht moet worden, dat deze lijfrente bedongen werd niet van een verzekeringsmaatschappij, doch van een particulier en voorts, dat in het geval van haar voortijdig overlijden de tegenover de betaalde koopsom staande uitkering van lijfrentetermijnen uiteraard een einde zou nemen; dat, zou niettemin moeten worden aangenomen , dat de onderwerpelijke overeenkomst een bevoordeling van zijn zuster inhield, het beloop van het door haar genoten voordeel volgens belanghebbende niet hoger mag worden bepaald dan op f 17.705, -- , zijnde het verschil tussen de koopsom ad f 180.000, -- en de (wegens mindere solvabiliteit van de debiteur met 10% verminderde) met de bedongen lijfrente corresponderende actuariële koopsom ad f 219.672, --; dat, naar belanghebbende aanvoert, de onderwerpelijke overeenkomst voor hem geen verarming betekende, doch integendeel uitermate voordelig was, aangezien tegenover de verplichting aan lijfrentetermijnen te betalen tot een bedrag van maximaal f 270.000, -- naast de koopsom ad f 180.000, -- stond een belastingbesparing, welke op 70% van f 270.000, -- dat is f 189.000, -- viel te stellen;
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4bafabfea3397390681c37bfd283f7dc4ec7f53e7901d5b20eeccee047733535. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4bafabfea3397390681c37bfd283f7dc4ec7f53e7901d5b20eeccee047733535, en de alinea staat in dat document op bytes 7881 tot 10232.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/4bafabfea3397390681c37bfd283f7dc4ec7f53e7901d5b20eeccee047733535 | shasum -a 256