Citaat | Hoge Raad 1 juni 1977

Alinea 41 Hoge Raad 1 juni 1977

Een alinea uit Hoge Raad 1 juni 1977, ECLI:NL:HR:1977:AX3510.

Subsidiair stelt belanghebbende dat de belastingheffing inzake de onderhavige vergoeding, indien al noodzakelijk, niet in het onderhavige jaar kan plaatsvinden. Nu de Kantonrechter bij zijn op 29 december 1972 genomen beschikking niet bepaalde op welke wijze de vergoeding diende te worden betaald en deze beschikking meteen in kracht van gewijsde is gegaan – artikel 1639 w, lid 7, van het Burgerlijk Wetboek – was het bedrag van f 215.000,-- vanaf 29 december 1972 vorderbaar en inbaar; op dat moment was er een executoriale titel; daaraan doet niet af dat de onderhavige vergoeding reeds werd toegekend voordat de dienstbetrekking werd beeindigd. Bovendien is ingevolge artikel 1286 van het Burgerlijk Wetboek het bedrag van f 215.000,-- vanaf 29 december 1972 rentedragend geworden. Moratoire interessen kunnen reeds vóór de uitspraak verschuldigd worden indien tevoren is aangemaand of indien deze bij dagvaarding worden geëist. Het feit dat deze interessen reeds voor de uitspraak verschuldigd kunnen zijn, impliceert dat zij zeker vanaf de uitspraak verschuldigd zijn. Daaraan staat niet in de weg dat belanghebbende geen aanmaning of dagvaarding deed uitgaan en evenmin dat in feite geen rente is betaald;

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/144cc6cee59f84d5ff05df570c94b956aa13cd667073c8a7ed569a0c4f00baf7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 144cc6cee59f84d5ff05df570c94b956aa13cd667073c8a7ed569a0c4f00baf7, en de alinea staat in dat document op bytes 13970 tot 15204.