Citaat | Hoge Raad 20 april 1977

Alinea 162 Hoge Raad 20 april 1977

Een alinea uit Hoge Raad 20 april 1977, ECLI:NL:HR:1977:AX3560.

Naar de mening van belanghebbende dient dan ook het voordeel uit hoofde van een deelneming te worden bepaald op het bedrag dat ten tijde van het ontstaan van het vorderingsrecht aan het dividend (dan wel de verkoopprijs) moet worden toegekend. Op dat moment immers vindt binnen het vermogen van de tot het dividend gerechtigde een overgang plaats van de deelnemingssfeer naar de vorderingensfeer en voor beide sferen bestaat een verschillend fiscaal regime. Dit verschil in fiscale behandeling heeft de wetgever onderkend en geaccepteerd voor vorderingen ontstaan uit hoofde van geldleningen verstrekt aan dochtermaatschappijen en het valt niet in te zien, dat vorderingen ontstaan uit andere hoofde een andere fiscale behandeling zouden moeten ondergaan, omdat immers de oorzaak van de vordering niet relevant is, maar de rechtsverhouding zelve. Dit klemt temeer nu de door het Gerechtshof voorgestane methode medebrengt dat vorderingen op derden, verkregen uit hoofde van verkoop van een deelneming, fiscaal anders worden behandeld dan vorderingen op derden ontstaan uit enige andere oorzaak.";

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f8d6a4f29daa104c0baf12eab49a196e7671abbaf0d33529711d020160c110d2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f8d6a4f29daa104c0baf12eab49a196e7671abbaf0d33529711d020160c110d2, en de alinea staat in dat document op bytes 52752 tot 53861.