Citaat | Hoge Raad 30 juni 1978

Alinea 111 Hoge Raad 30 juni 1978

Een alinea uit Hoge Raad 30 juni 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6324.

De Rechtbank heeft hieromtrent vooreerst overwogen dat [verweerster] , gezien de sommatie door [eiser] van 7 december 1973, niet behoefde te verwachten dat deze nalatig zou blijven in het betalen van de huurprijs en zich ter rechtvaardiging van die nalatigheid van het voormelde verweer zou bedienen. Voorts heeft de Rechtbank vastgesteld dat de gebreken aan het gehuurde niet van dien aard waren dat [eiser] over de in het vonnis vermelde periode het genot van het gehuurde overeenkomstig zijn bestemming heeft moeten missen. Tenslotte heeft de Rechtbank geoordeeld dat uit het samenstel van de artikelen 1586, 1589 en 1634 van het Burgerlijk Wetboek blijkt dat de huurder slechts in zeer bijzondere gevallen betaling van de huurprijs achterwege mag laten, en dat deze gevallen zich, zoals de Rechtbank heeft vastgesteld, in casu niet voordoen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b4e15c6cc4303a37bf00c1f883beeb66fca6cf818ebb1d610913ebbb6ee25db2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b4e15c6cc4303a37bf00c1f883beeb66fca6cf818ebb1d610913ebbb6ee25db2, en de alinea staat in dat document op bytes 37370 tot 38229.