Citaat | Hoge Raad 30 juni 1978
Alinea 113 Hoge Raad 30 juni 1978
Een alinea uit Hoge Raad 30 juni 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6324.
De vraag of een huurder bevoegd is de nakoming van zijn verplichting tot betaling van de huurpenningen geheel of ten dele op te schorten tot de verhuurder aan zijn onderhoudsverplichting heeft voldaan, moet worden beantwoord aan de hand van de eisen van redelijkheid en billijkheid die opgesloten liggen in de in artikel 1374 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde goede trouw, zulks in verband met de omstandigheden van het geval. De beide voormelde verplichtingen hangen niet zodanig met elkaar samen dat een opschorting van de betaling van de huurpenningen als boven bedoeld anders dan bij uitzondering met de voormelde eisen in overeenstemming zal zijn, zulks mede gelet op het stelsel van de wettelijke regeling van de huurovereenkomst zoals dit onder meer in de artikelen 1591 lid 2 en 1634 van het Burgerlijk Wetboek tot uiting komt. De beslissing van de Rechtbank, die op de omstandigheden van het geval is gegrond, is in verband met dit alles niet onbegrijpelijk en behoefde in dit geval geen nadere motivering. Ook blijkt uit het vonnis niet dat de Rechtbank bij deze beslissing een onjuiste maatstaf heeft toegepast.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b4e15c6cc4303a37bf00c1f883beeb66fca6cf818ebb1d610913ebbb6ee25db2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b4e15c6cc4303a37bf00c1f883beeb66fca6cf818ebb1d610913ebbb6ee25db2, en de alinea staat in dat document op bytes 38653 tot 39797.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/b4e15c6cc4303a37bf00c1f883beeb66fca6cf818ebb1d610913ebbb6ee25db2 | shasum -a 256