Citaat | Hoge Raad 30 juni 1978

Alinea 59 Hoge Raad 30 juni 1978

Een alinea uit Hoge Raad 30 juni 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6325.

B) ten onrechte, aangezien onbegrijpelijk is hoe het Hof, [verweerder] in het gelijk stellend ten aanzien van de uitleg van het optiebeding, in rechtsoverweging 10 heeft kunnen overwegen “dat de door [eiser] gestelde koopovereenkomst niet is tot stand gekomen, nu [eiser] het aanbod van [verweerder] niet heeft aanvaard”, nu toch door [eiser] in de procedure nergens is gesteld dat “een koopovereenkomst” zou zijn tot stand gekomen, maar dat hij een kooprecht pretendeerde op basis van het optiebeding van artikel 14 tegen een prijs van ƒ 349.615,24, waartegen zijdens [verweerder] is aangevoerd dat het optiebeding (met de daarin vervatte index-clausule) zijns inziens moest leiden tot een prijs van ƒ 447.247,64, over welk berekeningsgeschil vervolgens in correspondentie en procedure (uitvoerig) is gedebatteerd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e08e146070d6ca4f47ae11e98f57f4d78b897b425ee4870f12e9a5317a5eb50a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e08e146070d6ca4f47ae11e98f57f4d78b897b425ee4870f12e9a5317a5eb50a, en de alinea staat in dat document op bytes 23322 tot 24160.