Citaat | Hoge Raad 24 oktober 1978

Alinea 13 Hoge Raad 24 oktober 1978

Een alinea uit Hoge Raad 24 oktober 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6373.

Afgezien van het feit, dat requirant aan een employee van het Uitzendbureau Cito zou gezegd hebben nadat hij reeds op vrije voeten was gesteld, dat hij met zijn mededader om geld was gekomen, hetgeen hij uiteraard als een soort bluf tegen deze getuige geruime tijd na het voorval, nadat hij reeds lang op vrije voeten was gesteld door de politie, hetgeen niet tot bewijs kan dienen, dat hij zich met zijn vriend aan de uitvoering van het door hen voorgenomen misdrijf — zij het dan ook op termijn — had gezet.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3ed293aa28bb213fa9d92c9b5f36e3d97f50a6b7383f649cdfee516d9d77a66d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3ed293aa28bb213fa9d92c9b5f36e3d97f50a6b7383f649cdfee516d9d77a66d, en de alinea staat in dat document op bytes 8763 tot 9289.