Citaat | Hoge Raad 22 december 1978

Alinea 62 Hoge Raad 22 december 1978

Een alinea uit Hoge Raad 22 december 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6449.

Ten onrechte heeft het Hof geoordeeld dat [eiser] gehouden was te stellen in welk opzicht de arbiters, oordelende, naar die arbiters zelf stelden, als goede mannen naar billijkheid, daarbij niet hebben geoordeeld overeenkomstig de gewone regelen van het recht. De arbiters hadden zelf in hun vonnis aangegeven naar welke maatstaf zij recht hadden gedaan, te weten als goede mannen naar billijkheid. [eiser] kon volstaan dit te stellen. De door het Hof aan [eiser] opgelegde stelplicht zou betekenen dat [eiser] had moeten stellen in hoeverre de scheidslieden niet overeenkomstig de regelen van het recht uitspraak hadden gedaan, met andere woorden: in hoeverre zij de regelen van het materiële recht hadden geschonden. Nog weer anders gezegd: De door het Hof aan [eiser] opgestelde stelplicht impliceert dat [eiser] in zijn dagvaarding tot nietigverklaring van het scheidsrechterlijk vonnis had moeten aangeven waar de scheidslieden in hun vonnis zich niet aan de regelen des rechts gebonden geacht hebben maar — bijvoorbeeld in strijd met artikel 3 van de Wet houdende Algemene Bepalingen der wetgeving van het Koninkrijk — een andere weg hebben gevolgd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/233e0de942dbaaa71f0f3445f172bf926aaef9f54253ceccd81362be5bc5d975. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 233e0de942dbaaa71f0f3445f172bf926aaef9f54253ceccd81362be5bc5d975, en de alinea staat in dat document op bytes 22816 tot 23989.