Citaat | Hoge Raad 2 november 1979

Alinea 12 Hoge Raad 2 november 1979

Een alinea uit Hoge Raad 2 november 1979, ECLI:NL:HR:1979:9.

Bij exploit van 6 december 1972 heeft verweerster in cassatie, hierna te noemen [verweerster], de eiser tot cassatie, [eiser] gedaagd voor de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd betaling van ƒ 314.653,-- met rente, benevens vanwaardeverklaring van een conservatoir beslag. Tot een bedrag van ƒ 292.884,-- was die vordering gebaseerd op een in artikel 6 van een schriftelijke overeenkomst van 15 april 1970 ten behoeve van [verweerster] gemaakt derdenbeding, terwijl zij voor het overige was gebaseerd op een tussen partijen bestaan hebbende rekening-courantverhouding. Nadat [eiser] met betrekking tot beide onderdelen van de vordering verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij vonnis van 14 mei 1975 ten aanzien van het eerste onderdeel het verweer dat bedoeld derdenbeding niet zou voldoen aan het vereiste van artikel 1353 van het Burgerlijk Wetboek, verworpen, en, alvorens verder te beslissen, aangaande beide onderdelen van de vordering een verschijning van partijen gelast teneinde inlichtingen te verstrekken. Betreffende het hierboven eerst genoemde deel van de vordering overwoog de Rechtbank allereerst, voor zover thans van belang:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e246e12aea5480ed1f7b33b4d98145ed820aeca321bc851f4df1635ab0abdfdc. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e246e12aea5480ed1f7b33b4d98145ed820aeca321bc851f4df1635ab0abdfdc, en de alinea staat in dat document op bytes 5325 tot 6504.