Citaat | Hoge Raad 14 maart 1979

Alinea 274 Hoge Raad 14 maart 1979

Een alinea uit Hoge Raad 14 maart 1979, ECLI:NL:HR:1979:AX2764.

dat het Hof ook verwerpt belanghebbendes grief, dat het voor navordering vereiste nieuwe feit zou ontbreken; dat toch de Inspecteur na de brief van 13 oktober 1971 van [K] , die ten tijde van de aanslagregeling als belanghebbendes gemachtigde optrad, waarin deze mededeelde dat de certificaten B uitsluitend het aan de houders van oprichtersaandelen toekomende aandeel in de overwinst krachtens artikel 38, vierde lid, letter c, van de Statuten vertegenwoordigden, en na de door hem bij Inspecteur [P1] en diens opvolger ter inspectie der directe belastingen te Haarlem, 1e afdeling, gedane navraag, er redelijkerwijs van mocht uitgaan, dat sprake was van een gewone verkoop van winstbewijzen; dat aan het vorenstaande niet afdoet, dat Inspecteur [P1] , die door belanghebbende als contact- inspecteur mocht worden gezien, kennelijk heeft verzuimd zijn ambtgenoten in te lichten, nu aan [K] uit de met de aanslagregelaar gevoerde telefoongesprekken en gewisselde brieven duidelijk moet zijn geworden dat deze de brieven van 13 januari, 14 maart en 27 maart 1969 niet kende en niets hem belette behalve de brief van 27 maart 1969 ook de andere brieven aan de aanslagregelaar te doen toekomen; dat toch onder deze omstandigheden belanghebbende redelijkerwijs aan de gevoerde correspondentie geen bescherming tegen de - algemeen bestaande - navorderingsbevoegdheid van de Inspecteur vermag te ontlenen;";

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a722e52e94304551af6b61157cbb024c28f665bd7e5d4779e7c2d32626505810. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a722e52e94304551af6b61157cbb024c28f665bd7e5d4779e7c2d32626505810, en de alinea staat in dat document op bytes 71276 tot 72690.