Citaat | Hoge Raad 7 februari 1979

Alinea 36 Hoge Raad 7 februari 1979

Een alinea uit Hoge Raad 7 februari 1979, ECLI:NL:HR:1979:AX3000.

Uit belanghebbendes bewering dat hij niet wist door wie en wanneer het recht van vruchtgebruik op de pandbrieven werd gevestigd, blijkt dat het in casu om een door de Credietbank opgezette en aan haar cliënten ‘’verkochte’’ constructie gaat, waarbij zowel de bank als de cliënt voordeel had. Een zekere mate van ongewisheid - kenmerk van een belegging - ontbreekt in de constructie geheel. Met betrekking tot de constructie is het algemene leerstuk van de wetsontduiking van toepassing. Voor de heffing van de inkomstenbelasting mag geen verschil worden gemaakt tussen enerzijds de aankoop van de blote eigendom van de pandbrieven en anderzijds de aankoop van de volle eigendom van de pandbrieven, onmiddellijk gevolgd door de verkoop van het tijdelijke recht van vruchtgebruik op deze stukken. De ‘’ ‘’verkoop van het recht van vruchtgebruik'' '' voor een korte periode is niet een in de onbelaste vermogenssfeer liggende uitholling van het eigendomsrecht, doch een bijzondere wijze van rendabel maken van vermogen. Voor wat betreft het tijdstip waarop het door belanghebbende ten gevolge van de aankoop van de pandbrieven behaalde voordeel werd genoten, wordt gesteld:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5584842f4353194541704031febd6b84c0a67fcebac61dc2f60ca1f1bebf0390. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5584842f4353194541704031febd6b84c0a67fcebac61dc2f60ca1f1bebf0390, en de alinea staat in dat document op bytes 10568 tot 11769.