Citaat | Hoge Raad 15 januari 1980
Alinea 13 Hoge Raad 15 januari 1980
Een alinea uit Hoge Raad 15 januari 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC3948.
De onderhavige zaak heeft betrekking op een geval van ondeugdelijke poging, dat ligt in het tussengebied van de absolute en relatieve ondeugdelijkheid. Tussen de gevallen immers, waarin de handeling in geen geval geschikt is om tot de voltooiing te leiden (de absolute ondeugdelijkheid), en die, waarin zij slechts in het bijzondere geval daartoe niet geschikt is (de relatieve ondeugdelijkheid), ligt het gebied, waarin de handeling slechts in een bijzonder geval geschikt is voor de voltooiing. (vgl. noot Pompe onder H.R. 24 febr. 1948, N.J.1948, 272). Het bijzonder geval waarin de handeling van rekwirant sukses zou hebben gehad zou zijn geweest, wanneer hij met de schop de niet van lexanruit voorziene toegang tot de winkel zou hebben bewerkt. Dit alles is niet gebeurd en ook niet telastegelegd. Telastegelegd is dat rekwirant gepoogd heeft te stelen door een gat in de etalageruit te slaan. De leer van het Hof past in een puur objektieve pogingstheorie waarin de absolute en relatieve ondeugdelijke poging scherp als aan elkander grenzend worden onderscheiden. In een wat subjektievere pogingstheorie (vgl. H.R. 19 sept 1977, N.J. 1978, 126 noot Mulder) zal de ondeugdelijkheid van het middel hechter verbonden zijn met de handeling zoals die zich in konkreto heeft geopenbaard. Met andere woorden men moet zich afvragen of gegeven de konkrete gang van zaken waarschijnlijk was dat het gevolg was ingetreden, (vgl. Hazewinkel-Suringa 7e dr., pg. 353). Dit betekent dat men zich niet zoals het Hof doet moet begeven in allerlei hypothetische konstrukties, omdat dit tot resultaten leidt waarin elk verband tussen de bewustzijnsinhoud van de dader en de beoordeling der absolute of relatieve ondeugdelijkheid ontbreekt. Want konsekwent doorredenerend in de opvatting van het Hof zou in het onderhavige geval het beroep op de ondeugdelijkheid van de poging in deze ook verworpen kunnen worden met de overweging, dat de zolder, achterdeur of kelder aan de achterzijde toevallig niet van lexanruit voorzien waren. Door deze hypothetische konstrukties wordt de aktiviteit van de verdachte te zeer uitgebreid, waarmede aan het begrip middel een inhoud wordt gegeven welke niet strookt met datgene wat in de rechtswetenschap tot dusverre daarover is gezegd, (vgl. noot B.V.A.R. onder H.R. 29 maart 1949, N.J. 1949, 422.)
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b47cfdbf40943cc89d7d1ef797a04b832dbe0f1498c947c293ea7c6113a7b412. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b47cfdbf40943cc89d7d1ef797a04b832dbe0f1498c947c293ea7c6113a7b412, en de alinea staat in dat document op bytes 6605 tot 8978.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/b47cfdbf40943cc89d7d1ef797a04b832dbe0f1498c947c293ea7c6113a7b412 | shasum -a 256