Citaat | Hoge Raad 13 oktober 1981

Onder 5 Hoge Raad 13 oktober 1981

Een alinea uit Hoge Raad 13 oktober 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC3210.

De processen-verbaal van de terechtzittingen van de Economische Politierechter van 16 februari 1981 en 2 maart 1981 houden niet in dat aan de vertegenwoordiger van verdachte voor zijn verhoor door de Politierechter is medegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht was, zodat het ervoor moet worden gehouden dat die mededeling niet is gedaan. Op het niet nakomen van het voorschrift van artikel 29> lid 2, van het Wetboek van Strafvordering is in de wet niet uitdrukkelijk nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting gesteld. Niettemin kan de strekking van dat voorschrift, dat beoogt de verdachte te behoeden tegen ongewilde medewerking aan zijn eigen veroordeling, medebrengen, dat het niet in acht nemen van die bepaling nietigheid van het onderzoek en van het naar aanleiding daarvan gewezen vonnis tengevolge heeft, te weten in het geval dat de verdachte door het begane verzuim redelijkerwijs in zijn verdediging kan zijn geschaad. Zodanig geval doet zich voor, nu de vertegenwoordiger van de verdachte niet werd bijgestaan door een raadsman en zijn onder 4 aangehaalde verklaring tot het bewijs is gebezigd. Het middel is derhalve gegrond.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a55467dc876df79971748430130a8386744ffbe57d1ab0d7fc111c9dd532a620. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a55467dc876df79971748430130a8386744ffbe57d1ab0d7fc111c9dd532a620, en de alinea staat in dat document op bytes 14087 tot 15256.