Citaat | Hoge Raad 13 oktober 1981

Onder 7 Hoge Raad 13 oktober 1981

Een alinea uit Hoge Raad 13 oktober 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC3210.

Voor wat betreft de rechtspraak en literatuur over art. 29, lid 2, Sv. verwijs ik naar de conclusie van mijn ambtgenote Mr. Biegman-Hartogh bij HB 28 oktober 1980, NJ 1981,124- In het bijzonder wijs ik op HB 2 oktober 1979» NJ 1980,243, m.n. G.E.Mulder. In dat arrest komt de overweging voors "Blijkens de bewoordingen van art. 29 eerste en tweede lid Sv. blijft de in het tweede lid bedodlde mededeling beperkt tot de gevallen waarin iemand als verdachte wordt gehoord." Geldt dat nu ook voor een geval waarin iemand als vertegenwoordiger van een verdachte wordt gehoord? Ik zou menen van wel. Men kan een rechtspersoon niet horen en men kan haar ook niets mededelen, om de eenvoudige reden dat een rechtspersoon slechts een juridische constructie is. Wanneer, zoals in het Nederlandse stra/iecht het geval is, een rechtspersoon dader kan zijn zullen veel (niet alle, men denke aan inbeslagneming) strafprocessuele handelingen zich tot vertegenwoordigers van die rechtspersoon moeten richten. Voorschriften tot bescherming van de verdachte, zoals art.29, lid 2, Sv. zullen dan t.a.v. vertegenwoordigers moeten worden toegepast. Bij een enge uitleg van het woord "verdachte" in de hierboven weergegeven overweging uit uw arrest van 1979 zouden verdachte rechtspersonen in feite de bescherming van voorschriften als art. 29, lid 2, moeten ontberen. Dat lijkt in strijd met de strekking daarvan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a55467dc876df79971748430130a8386744ffbe57d1ab0d7fc111c9dd532a620. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a55467dc876df79971748430130a8386744ffbe57d1ab0d7fc111c9dd532a620, en de alinea staat in dat document op bytes 18240 tot 20014.