Citaat | Hoge Raad 29 september 1981

Onder 6.2.2. Hoge Raad 29 september 1981

Een alinea uit Hoge Raad 29 september 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC7336.

Anders dan het middel betoogt, vloeit uit dit relaas niet noodzakelijk voort, dat de verbalisanten reeds op het tijdstip waarop zij [verdachte] op straat aanspraken, te zijnen aanzien een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aanwezig achtten. Voormeld relaas kan immers geredelijk in die zin worden verstaan, dat de verbalisanten daarin tot uitdrukking wilden brengen, dat de omstandigheid dat de hun bekende [verdachte] met een plastic tas in zijn handen in de [a-straat] te [plaats] liep, hun enerzijds wèl aanleiding gaf zich naar [verdachte] te begeven en hem voormelde vragen te stellen, doch anderzijds door hen niet zonder meer werd beschouwd als een omstandigheid waaruit een redelijk vermoeden van schuld in de zin van laatstgemeld artikel voortvloeide.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4c185da0b757f483052ebde89a15b46681ff7139243deee93784a5f049e0533d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4c185da0b757f483052ebde89a15b46681ff7139243deee93784a5f049e0533d, en de alinea staat in dat document op bytes 19729 tot 20571.