Citaat | Hoge Raad 11 december 1981

Alinea 30 Hoge Raad 11 december 1981

Een alinea uit Hoge Raad 11 december 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4294.

4) Subsidiair: bovendien heeft de Rechtbank in de rechtsoverwegingen 7/8 ten onrechte voor het karakter van de samenwoning de wetenschap van moeder en dochter bij de aanvang van de samenwoning van beslissende betekenis geacht, evenwel ten onrechte omdat het bij de toepassing van artikel 1623i van het Burgerlijk Wetboek veeleer voor de hand ligt om de intentie van de betrokkenen ten tijde van het overlijden (of kort daarvoor) maatgevend te achten. Nu de Rechtbank over de intentie van moeder en dochter in de tussenliggende periode niets heeft vastgesteld is niet uitgesloten, dat de samenwoning van moeder en dochter inmiddels wel degelijk op een duurzame gemeenschappelijke huishouding was gericht. In dit verband is van belang dat uit rechtsoverweging 6 blijkt dat de (volgens de Rechtbank) door de Gemeente in januari 1979 gedane toezegging ten tijde van het overlijden in oktober 1980 nog niet was gerealiseerd, terwijl de Rechtbank verder Grief 3 van [verzoekster] in het midden heeft gelaten, waar zij heeft aangevoerd:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bc5ef8fece2cda2526ec1a053e793344383b0c5efa892db59d0634493e3a2b8c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bc5ef8fece2cda2526ec1a053e793344383b0c5efa892db59d0634493e3a2b8c, en de alinea staat in dat document op bytes 15620 tot 16663.