Citaat | Hoge Raad 11 december 1981

Alinea 32 Hoge Raad 11 december 1981

Een alinea uit Hoge Raad 11 december 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4294.

5) In elk geval onbegrijpelijk is verder, dat de Rechtbank in rechtsoverweging 6 de kennis en wetenschap van moeder en dochter bij de aanvang van de inwoning in augustus/september 1979 afleidt uit brieven van 26 januari 1979 en 9 juni 1980. Het valt immers niet in te zien, waarom moeder en dochter in augustus/september 1979 moesten beseffen dat binnen afzienbare tijd een aangepaste woning zou worden toegewezen, terwijl die toewijzing pas in de brief van 9 juni 1980 was vervat en bovendien de door de Rechtbank bedoelde brief van 26 januari 1979 niet aan de moeder of de dochter was gericht, maar aan het revalidatiecentrum " [A] " (ter attentie van [betrokkene 1] ).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bc5ef8fece2cda2526ec1a053e793344383b0c5efa892db59d0634493e3a2b8c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bc5ef8fece2cda2526ec1a053e793344383b0c5efa892db59d0634493e3a2b8c, en de alinea staat in dat document op bytes 17215 tot 17900.