Citaat | Hoge Raad 11 december 1981

Alinea 33 Hoge Raad 11 december 1981

Een alinea uit Hoge Raad 11 december 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4294.

6) De Rechtbank heeft in de rechtsoverwegingen 6/8 kennelijk beslissend geacht, dat de moeder - ware zij niet op 1 oktober 1980 overleden - binnen afzienbare tijd naar een aangepaste woning zou zijn verhuisd, hetgeen aan de dochter bekend was. Door aldus te werk te gaan heeft de Rechtbank miskend, dat artikel 1623i van het Burgerlijk Wetboek de tot de dag van het overlijden bestaande objectief-feitelijke status quo ten aanzien van de duurzaamheid van de samenwoning fixeert in die zin, dat het toekomstperspectief na het overlijden dan geen rol meer mag spelen. De (vermoedelijke) gang van zaken na 1 oktober 1980 kan immers niet afdoen aan het feit, dat inmiddels vóór 1 oktober 1980 de facto een duurzame gemeenschappelijke huishouding was gegroeid. Met het hier gestelde is in overeenstemming, dat in het recht betreffende de verwante situatie van artikel 1623h van het Burgerlijk Wetboek wordt aangenomen, dat van een duurzame gemeenschappelijke huishouding ook nog gesproken kan worden op een moment dat er plannen bestaan die gemeenschappelijke huishouding te gaan beëindigen. Vergelijk in die zin het "Petronella"-arrest van HR 10 oktober 1980 NJ 81-132 PAS.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bc5ef8fece2cda2526ec1a053e793344383b0c5efa892db59d0634493e3a2b8c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bc5ef8fece2cda2526ec1a053e793344383b0c5efa892db59d0634493e3a2b8c, en de alinea staat in dat document op bytes 17906 tot 19091.