Citaat | Hoge Raad 20 mei 1981

Alinea 64 Hoge Raad 20 mei 1981

Een alinea uit Hoge Raad 20 mei 1981, ECLI:NL:HR:1981:AW9635.

b. Het beroep van belanghebbende op de vrijstelling van artikel 33, lid 1, onder 12, van de Successiewet 1956 faalt. Uit de tussen partijen vaststaande feiten blijkt dat [A] de lening aan belanghebbende heeft verstrekt om deze in verband met zijn voorgenomen huwelijk in staat te stellen een huis te kunnen kopen, waarvan de koopprijs, indien deze op zakelijke wijze zou zijn gefinancierd, diens financiële mogelijkheden te boven ging. De door belanghebbende aangevoerde omstandigheden doen er niet aan af dat naar algemeen gangbare opvattingen van moraal en fatsoen stellig niet gesproken kan worden van een zo dringende verplichting onder bedoelde voorwaarden een geldlening te verstrekken, dat de nakoming daarvan als een belanghebbende toekomende, zij het rechtens niet afdwingbare prestatie mag worden beschouwd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/62cbf0c6a9fd3dd824a9da6cd0b8a6befdeffa9f17b3d6e6e3fb23a2b514596a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 62cbf0c6a9fd3dd824a9da6cd0b8a6befdeffa9f17b3d6e6e3fb23a2b514596a, en de alinea staat in dat document op bytes 18863 tot 19694.