Citaat | Hoge Raad 22 juli 1981

Alinea 56 Hoge Raad 22 juli 1981

Een alinea uit Hoge Raad 22 juli 1981, ECLI:NL:HR:1981:AW9782.

3. Belanghebbende heeft zich voorts verweerd tegen de hem opgedragen bewijslast dat hij de gepleegde inhoudingen aannemelijk diende te maken door te stellen, dat hij erop kon en mocht vertrouwen bij een bonafide werkgever in dienst te zijn getreden. Het Hof verwerpt deze stelling met de redenering dat belanghebbende in elk geval een netto-loon heeft ontvangen dat de loonspecificaties te boven is gegaan. Het Hof gaat daarmede echter voorbij aan de stelling van belanghebbende dat enerzijds de goede trouw aan zijn zijde met zich medebrengt dat in de gegeven omstandigheden niet hij aannemelijk dient te maken dat er op zijn loon is ingehouden, doch de Inspecteur, en dat anderzijds het feit dat een werkgever in een later stadium wellicht niet bonafide blijkt te zijn niet verhindert dat belanghebbende ten tijde van het aangaan van het dienstverband erop mocht vertrouwen, dat hij met een bonafide werkgever te maken had. Ook de stelling van belanghebbende dat hij een netto-loon is overeengekomen, wijst deze richting op. Ook in dit opzicht is de redenering van het Hof onduidelijk.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/efc9d39f2acf2b2a3672ae1ec0b9d8501966e61c000431154349a4299d207036. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt efc9d39f2acf2b2a3672ae1ec0b9d8501966e61c000431154349a4299d207036, en de alinea staat in dat document op bytes 26003 tot 27103.