Citaat | Hoge Raad 1 juli 1985

Alinea 51 Hoge Raad 1 juli 1985

Een alinea uit Hoge Raad 1 juli 1985, ECLI:NL:HR:1985:AB7675.

In het arrest van de Hoge Raad 24 april 1939 nr. 986 geeft Taverne in een noot de volgende kanttekening met betrekking tot de auditu verklaringen: na het auditu arrest van de Hoge Raad, is er volgens Taverne geen enkel wettelijk bezwaar meer tegen de auditu verklaringen, maar volgens Taverne: ''Dan moet ook duidelijk blijken dat de getuige het heeft over een hem gedane mededeeling. Dan immers is de eigen waarneming van den getuige hierin gelegen, dat hij met zijn gehoorszintuig het doen der mededeeling heeft waargenomen. Dan weet de rechter, wat de getuigenverklaring beteekent en kan hij met volledige kennis van zaken beoordeelen, of hij daaraan eenige waarde kan toekennen voor het bewijs. De toelaatbaarheid der de auditu, mag echter nimmer dezen vorm aannemen, dat de getuige, op grond eener hem gedane mededeeling, de inhoud dier mededeeling als eigen waarneming produceert........De verklaring, zoals zij door een getuige is afgelegd, moet vrucht van eigen waarneming zijn. Daarbij mag niet eene mededeeling worden ingeschakeld waarvan niemand iets afweet''.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d75ddd36815897f311870304ae261c32c194e765de3f8d0bee8873c906ff24aa. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d75ddd36815897f311870304ae261c32c194e765de3f8d0bee8873c906ff24aa, en de alinea staat in dat document op bytes 21425 tot 22510.