Citaat | Hoge Raad 1 maart 1985
Alinea 10 Hoge Raad 1 maart 1985
Een alinea uit Hoge Raad 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066.
3. Beoordeling van de middelen 3.1. De onderhavige zaak stelt de vraag aan de orde welke de reikwijdte is van het aan de notaris op grond van zijn ambts- of beroepsgeheim toekomende verschoningsrecht. Te dien aanzien moet worden vooropgesteld dat, naar in cassatie terecht onbestreden is gebleven, de notaris behoort tot de beperkte groep van personen die uit hoofde van de aard van hun maatschappelijke functie verplicht zijn tot geheimhouding van al hetgeen hun in hun hoedanigheid wordt toevertrouwd, en aan wie in verband daarmede tevens het recht toekomt zich te dien aanzien ook ten overstaan van de rechter van het afleggen van getuigenis te verschonen. De grondslag van dit verschoningsrecht moet worden gezocht in een in Nederland geldend algemeen rechtsbeginsel dat meebrengt dat bij zodanige vertrouwenspersonen het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene om bijstand en advies tot hen moet kunnen wenden. Dit beginsel vindt onder meer erkenning voor het burgerlijk recht in art. 1946 lid 2, aanhef en onder 3⁰, BW, voor het strafrecht in art. 218 Sv. en voor het belastingrecht in de artt. 53 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en 15 lid 3 aanhef en onder b, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Wat de notaris betreft, bestaat nog deze bijzonderheid dat met betrekking tot de door hem verleden akten de beperkte geheimhoudingsplicht van art. 42 van de Wet op het Notarisambt geldt, die in de onderhavige zaak echter geen rol speelt. Het gaat in deze zaak om een verhoor als bedoeld in art. 223b F. in de surséance van drie vennootschappen behorende tot het [A] -concern, gehouden teneinde opheldering te krijgen omtrent onder meer de vraag of de directie van (een of meer van) deze vennootschappen zich begin maart 1980 bewust was, dat die vennootschap(pen) zich in 1979 door middel van een zogenaamde positieve/negatieve hypotheekverklaring had(den) gebonden jegens "het bankensyndicaat". In dat kader zijn aan de notaris de volgende vragen voorgelegd: "1. Bent u op 26 maart 1980 al dan niet in gezelschap van Uw collega Hoek naar [A] geweest of hebben op die dag directieleden van [A] U of de heer Hoek en U opgezocht op uw kantoor? 2. Op wiens verzoek vond het in de vorige vraag bedoelde onderhoud plaats? 3. Is het juist dat U aanvankelijk in zoverre geen succes boekte dat de heren Koopmans en/of Van Berkel weigerden de volmacht (bijlage 8c in de hypotheekklapper) te tekenen? 4. Op welke gronden hebben de heren Koopmans en/of Van Berkel in dat stadium geweigerd te tekenen? 5. Later op die dag is blijkens de genoemde bijlage de volmacht toch getekend, en wel ten overstaan van notaris Hoek. Is U bekend waar dat gebeurde en wat er intussen gebeurd was dat de heren Van Berkel en Koopmans tenslotte wel tekenden wat zij aanvankelijk niet wilden ondertekenen?"
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/94fbfbef2f51a449e726c4ca381e3a8cae9fd1e1a23725775403cab4ec4c8ee1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 94fbfbef2f51a449e726c4ca381e3a8cae9fd1e1a23725775403cab4ec4c8ee1, en de alinea staat in dat document op bytes 7457 tot 10551.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/94fbfbef2f51a449e726c4ca381e3a8cae9fd1e1a23725775403cab4ec4c8ee1 | shasum -a 256