Citaat | Hoge Raad 13 mei 1988

Alinea 25 Hoge Raad 13 mei 1988

Een alinea uit Hoge Raad 13 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC3064.

3.1 Het gaat in deze zaak om de vraag of, indien na de overschrijving in de openbare registers van een conservatoir beslag op een onroerend goed een recht van eerste hypotheek met het in art. 1223 lid 2 BW bedoelde beding is verleend aan een andere schuldeiser dan de beslaglegger en vervolgens de beslagdebiteur/hypotheekgever in staat van faillissement is verklaard, de hypotheekhouder zijn rechten kan uitoefenen alsof er geen faillissement ware dan wel de curator zich ten behoeve van de boedel kan beroepen op het in art. 505 lid 4 Rv. neergelegde verbod. Deze vraag moet in laatstbedoelde zin worden beantwoord. Het bepaalde in art. 33 lid 2 F., waarop de Bank zich beroept, heeft wel tot gevolg dat de beslaglegger het beslagen goed niet meer zelf kan uitwinnen, maar strekt niet ertoe elk rechtsgevolg van de beslaglegging teniet te doen gaan. Met name gaat daardoor de werking van art. 5050 lid 4 Rv. niet teniet ten gunste van degene aan wie in strijd met het in die bepaling vervatte verbod een recht van hypotheek is verleend. Het stelsel van de Faillissementswet brengt mee dat het faillissement, als algemeen beslag, in de plaats treedt van de maatregelen van executie die tevoren de schuldeisers afzonderlijk konden nemen, en dat het tijdens het faillissement de curator is die optreedt ten behoeve van de gezamenlijke crediteuren in de plaats van de afzonderlijke schuldeisers, wier bevoegdheid tot het nemen van maatregelen van executie op hem is overgegaan. Het strookt met dit stelsel en met de strekking van art. 505 lid 4 Rv. aan te nemen dat na de faillietverklaring van de beslagdebiteur/hypotheekgever de curator zich ten behoeve van de boedel tegenover de hypotheekhouder kan beroepen op voormeld verbod en dat dit beroep tot gevolg heeft dat de hypotheekhouder de in art. 1223 lid 2 BW bedoelde bevoegdheid niet kan uitoefenen, dat de opbrengst bij verkoop van het goed in de boedel valt voor zover die opbrengst het beloop van de vordering van de beslaglegger niet overtreft, en dat voor de uitdeling van het in de boedel gevallen bedrag de vordering van de hypotheekhouder wordt achtergesteld bij die van de beslaglegger zodat de hypotheekhouder met betrekking tot dat bedrag niet batig wordt gerangschikt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fcbc5eaef398a37fbf722de5cdd8090c5a9b601804ee7021d5f83f5b83aea46f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fcbc5eaef398a37fbf722de5cdd8090c5a9b601804ee7021d5f83f5b83aea46f, en de alinea staat in dat document op bytes 7674 tot 9947.