Citaat | Hoge Raad 7 april 1989
Alinea 40 Hoge Raad 7 april 1989
Een alinea uit Hoge Raad 7 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9740.
4.1 Voorop moet worden gesteld dat de rechter van wie zowel in conventie als in reconventie een vordering wordt voorgelegd, in beginsel vrij is om de volgorde te bepalen waarin hij deze vorderingen zal behandelen. Dat neemt niet weg dat indien, zoals hier, een verhuurder van bedrijfsruimte in conventie op de voet van art. 1636 BW ontbinding van de huurovereenkomst vordert omdat de huurder zijn betalingsverplichtingen niet nakomt, en de huurder in reconventie op de voet van art. 1635 machtiging vordert om degene aan wie hij zijn in het gehuurde uitgeoefende bedrijf wil overdragen als huurder in zijn plaats te stellen, de rechter de toewijsbaarheid van deze vorderingen in onderling verband zal moeten beoordelen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ba0405fd427b79145befd27f744e876e6d58c908de0856be1562af1bb129e1b6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ba0405fd427b79145befd27f744e876e6d58c908de0856be1562af1bb129e1b6, en de alinea staat in dat document op bytes 10753 tot 11486.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ba0405fd427b79145befd27f744e876e6d58c908de0856be1562af1bb129e1b6 | shasum -a 256