Citaat | Hoge Raad 7 april 1989

Alinea 41 Hoge Raad 7 april 1989

Een alinea uit Hoge Raad 7 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9740.

Anders dan het eerste onderdeel van het middel aanvoert, heeft de Rechtbank één en ander niet miskend. De Rechtbank heeft kennelijk bij de afweging waartoe art. 1635 haar verplicht, in de omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van de wanprestatie (huurachterstand van meer dan f 200.000,-- bij een huur van ± f 8.400,-- per maand), het belang van de huurder te licht bevonden tegenover het belang van de verhuurder bij ontbinding van de overeenkomst en het weer ter beschikking krijgen van het pand in ontruimde toestand. Daarvan uitgaande heeft de Rechtbank gebruik gemaakt van haar bevoegdheid de vordering in conventie eerst te behandelen en toe te wijzen, waaraan zij niet ten onrechte heeft toegevoegd dat de ontbinding de grondslag van de vordering uit art. 1635 doet wegvallen, nu de huurovereenkomst daardoor eindigt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ba0405fd427b79145befd27f744e876e6d58c908de0856be1562af1bb129e1b6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ba0405fd427b79145befd27f744e876e6d58c908de0856be1562af1bb129e1b6, en de alinea staat in dat document op bytes 11490 tot 12342.