Citaat | Hoge Raad 5 september 1990

Alinea 26 Hoge Raad 5 september 1990

Een alinea uit Hoge Raad 5 september 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB9154.

Dit betoog kan niet als juist worden aanvaard. Gelijk de Hoge Raad onder andere in zijn arrest van 12 mei 1944, NJ 1944, 392, heeft beslist voor het in artikel 133 Rv vervatte voorschrift met betrekking tot de verplichte vertegenwoordiging door een procureur, geldt die regel niet voor het Openbaar Ministerie indien dat als hoofdpartij in een geding optreedt. Dezelfde redenen welke deze afwijking van de wettelijke vertegenwoordigingsplicht rechtvaardigen gelden eveneens voor afwijking van de in artikel 407 lid 3 Rv gegeven regel omtrent vertegenwoordiging door een advocaat in het geding in cassatie, in geval de Procureur-Generaal bij het Gerechtshof te Amsterdam die gebruik maakt van zijn bij artikel 999 lid 2 Rv toegekende bevoegdheid om in het openbaar belang beroep in te stellen bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam, vervolgens tegen het door die kamer gewezen arrest beroep in cassatie instelt. De procureur-generaal treedt alsdan immers in het geding in cassatie op ter uitvoering van zijn bij de wet opgedragen taak; bovendien geldt voor hem niet de reden die voor verplichte vertegenwoordiging door een advocaat voor "gewone partijen" bestaat, nu de procureur-generaal of het lid van het Openbaar Ministerie dat hem te dezen vervangt, rechtsgeleerde ambtenaren zijn, die in gedingen van deze aard plegen op te treden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dd09ec99c8d8a8888b3172e2b9ce722279ac8b4acc6e7a581e8a24e324f926f8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dd09ec99c8d8a8888b3172e2b9ce722279ac8b4acc6e7a581e8a24e324f926f8, en de alinea staat in dat document op bytes 7830 tot 9198.