Citaat | Hoge Raad 26 juni 1990

Onder 5.3. Hoge Raad 26 juni 1990

Een alinea uit Hoge Raad 26 juni 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1168.

De in art. 249, eerste lid, Sr opgenomen opsomming van door hun hoedanigheid ten opzichte van de dader aangeduide minderjarigen, met wie het plegen van ontucht in deze bepaling strafbaar wordt gesteld, wordt hierdoor gekenmerkt dat die hoedanigheid telkens een min of meer grote mate van afhankelijkheid van de dader meebrengt, en dat de dader daaraan een zeker overwicht tegenover die minderjarigen kan ontlenen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ae87d45d5735898dd18c88bb56916b83c4cb945fac33ca9613708673773b8b96. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ae87d45d5735898dd18c88bb56916b83c4cb945fac33ca9613708673773b8b96, en de alinea staat in dat document op bytes 17353 tot 17779.