Citaat | Hoge Raad 19 oktober 1990

Alinea 29 Hoge Raad 19 oktober 1990

Een alinea uit Hoge Raad 19 oktober 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1456.

3.1 In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan: Op 12 februari 1985 speelden [verweerder] en [eiser] met twee anderen een herendubbelpartij tennis op een binnenbaan van het tennispark [A] te [plaats]. Na afloop van een game heeft [verweerder] een aantal ballen naar de andere helft van de baan geslagen, waarbij [eiser], die zich toen op die andere helft bevond, door een bal aan het rechteroog is getroffen. [eiser] heeft hierdoor het gezichtsvermogen van dit oog verloren. Hij heeft in dit geding een bedrag gevorderd van f 40.094,-- ter zake van materiële en immateriële schade, waartoe hij heeft gesteld dat [verweerder] de bedoelde bal - terwijl het spel dood was - zo krachtig en onoplettend heeft geslagen, nl. door niet op te letten, waar de bal terecht zou komen, dat hij op die grond onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e7d2c062d829179506c12a410939f0a00112a14ce2040895c60f676d08b2b4ec. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e7d2c062d829179506c12a410939f0a00112a14ce2040895c60f676d08b2b4ec, en de alinea staat in dat document op bytes 6825 tot 7686.