Citaat | Hoge Raad 22 maart 1991

Alinea 39 Hoge Raad 22 maart 1991

Een alinea uit Hoge Raad 22 maart 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0182.

3.4 Het middel bestrijdt onder 4 terecht 's Hof voormeld uitgangspunt. De formulering van de artt. 42-48 F. is erop gericht telkens nauwkeurig aan te geven wat door de curator moet worden bewezen, wil hij de nietigheid van de in die artikelen bedoelde handelingen van de schuldenaar kunnen inroepen, en welke bewijslast daartegenover op de weder-partij rust. Art. 47 spreekt, anders dan de art. 43 en 45, in dit verband niet van een voor tegenbewijs vatbaar vermoeden. Wel legt dit artikel op de curator de last te bewijzen: ( a ) dat de crediteur, toen hij de betaling ontving, wist dat het faillissement reeds was aangevraagd, of ( b ) dat de betaling het gevolg was van overleg tussen schuldenaar en crediteur met het doel deze laatste door de betaling boven andere crediteuren te bevoordelen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/86c545cc2c1c6ba44dd1bdad683161854eb439852093cde3454a30953b1554f9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 86c545cc2c1c6ba44dd1bdad683161854eb439852093cde3454a30953b1554f9, en de alinea staat in dat document op bytes 11721 tot 12603.