Citaat | Hoge Raad 22 maart 1991
Alinea 46 Hoge Raad 22 maart 1991
Een alinea uit Hoge Raad 22 maart 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0182.
Zou immers de curator op grond van art. 47 de nietigheid kunnen inroepen van de vermindering van het debetsaldo van de rekening van [A] bij de Bank welke resulteerde uit de in 3.1 onder (iii) bedoelde creditering van die rekening met f 750.000,--, en daardoor de Bank kunnen nopen dit bedrag - dat ten gevolge van de betaling door [B] van haar schuld aan [A] een moment deel was gaan uitmaken van het vermogen van [A] - "terug te geven", dan zou hij dusdoende in het de schuldeisers tot verhaal dienende vermogen van de failliet niet een bate terugbrengen die daaruit in het zicht van het naderend faillissement onoirbaar is verdwenen, maar aan dat vermogen een bate toevoegen die daarin niet thuis hoort. Die bate is immers enkel in dat vermogen geraakt doordat de Bank heeft bewerkstelligd dat door storting van het - door haar (zonder daarmede bevoordeling van [A] te beogen) ter beschikking gestelde - bedrag van f 750.000,-- in het vermogen van [A] een onverhaalbare en dus waardeloze vordering op [B] werd vervangen door een aanspraak ten belope van dat bedrag op de Bank.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/86c545cc2c1c6ba44dd1bdad683161854eb439852093cde3454a30953b1554f9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 86c545cc2c1c6ba44dd1bdad683161854eb439852093cde3454a30953b1554f9, en de alinea staat in dat document op bytes 15571 tot 16733.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/86c545cc2c1c6ba44dd1bdad683161854eb439852093cde3454a30953b1554f9 | shasum -a 256