Citaat | Hoge Raad 16 maart 1993

Onder 3.3 Hoge Raad 16 maart 1993

Een alinea uit Hoge Raad 16 maart 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1844.

Steller dezes meent, dat het Hof, hoezeer men ook kan sympathiseren met creatieve reddingsoperaties, met deze beslissingen art. 408 lid 1 sub a geschonden heeft. Het Hof lijkt te miskennen het beginsel dat aan deze bepaling ten grondslag ligt: namelijk de notie, dat van de verdachte die ter zitting aanwezig is geweest, mag worden gevergd, dat hij zich van het verdere verloop van de zaak op de hoogte houdt; een gedachte, neergelegd in het arrest van uw Raad d.d. 24 november 1959, N.J. 1960 nr. 83, en herhaald in het arrest van 23 januari 1979, N.J. 1979 nr. 307. In zijn noot onder laatstgenoemd arrest formuleert G.E. Mulder hetzelfde beginsel vanuit een ander perspektief: de appèlrechter mocht er van uit gaan, dat het aan de veroordeelde lag, dat de appèltermijn van veertien dagen na de einduitspraak onbenut bleef.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7d7f74210205d8283b16e23bf7f08fd2dfb0083c07f43f93871b173605d25c62. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7d7f74210205d8283b16e23bf7f08fd2dfb0083c07f43f93871b173605d25c62, en de alinea staat in dat document op bytes 11191 tot 12032.