Citaat | Hoge Raad 30 november 1994

Alinea 5 Hoge Raad 30 november 1994

Een alinea uit Hoge Raad 30 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:AA2998.

3. Beoordeling van de uitspraak naar aanleiding van de klachten en ambtshalve 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende heeft ten behoeve van zijn studerende dochter een woning gekocht en deze aan haar verhuurd voor f 275,-- per maand. De economische huurwaarde van de woning bedroeg f 525,--. De woning werd door de dochter gedeeltelijk onderverhuurd. Belanghebbende heeft in zijn aangifte een bedrag van f 1.100,-- opgenomen als huur voor de woning en daarop in aftrek gebracht onder meer een bedrag van f 30.152,-- wegens onderhoudskosten, lasten en afschrijvingen (hierna: de kosten). Daarvan is een bedrag groot f 7.000,-- als kosten van verbetering aan te merken. 3.2. In cassatie is de vraag aan de orde in hoeverre aftrek van de kosten wordt belet door artikel 35, lid 5, (tekst 1989) van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet). 3.3. Het Hof heeft - in cassatie onbestreden - geoordeeld dat gelet op het verschil tussen de huurprijs en de economische huurwaarde de woning aan de dochter ook anders dan als huurster ter beschikking stond. Het heeft daaraan met juistheid de gevolgtrekking verbonden dat dit in de gegeven omstandigheden meebrengt dat bij de dochter (in beginsel, de onderverhuur weggedacht) 250/525 van de forfaitaire huurwaarde in aanmerking moest worden genomen. Deze wetstoepassing is in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever zoals die blijkt uit een voor een dergelijk - zij het iets gecompliceerder - geval gegeven voorbeeld in de Memorie van Antwoord bij het wetsontwerp dat heeft geleid tot de Wet van 30 september 1987, Stb. 456, strekkende tot verruiming van de toepassing van het huurwaardeforfait (Kamerstukken II 1986/87, 19 741, nr. 5, blz. 4). 3.4. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat in deze situatie artikel 35, lid 5, van de Wet aftrek van een hoger bedrag dan de genoten huur, f 1.100,--, uitsluit. Het Hof heeft deze bepaling derhalve aldus uitgelegd dat ook indien bij een ander dan de belastingplichtige het huurwaardeforfait slechts voor een evenredig deel van toepassing is, de beperking van dit artikel geldt voor het volle bedrag van de kosten. Deze uitleg kan niet als juist worden aanvaard. In het geschetste geval dient, nu de wettekst zich daartegen niet verzet, in overeenstemming met de systematiek van de Wet, die voor verhuurde woningen en woningen in eigen gebruik afzonderlijke regels bevat, te worden aangenomen dat de beperking van artikel 35, lid 5, van de Wet geldt voor hetzelfde evenredige deel als waarvoor het huurwaardeforfait van toepassing is. Kennelijk heeft aan de opstellers van het amendement waaraan deze bepaling haar ontstaan dankt, slechts de situatie voor ogen gestaan waarin een ander dan de belastingplichtige uitsluitend krachtens een gebruiksrecht - in het algemeen een vruchtgebruik - over de woning van de belastingplichtige kan beschikken. 3.5. Thans moet nog de vraag worden beantwoord - welke vraag in de opvatting van het Hof kon blijven rusten - of, zoals belanghebbende stelt, voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang is dat zijn dochter een gedeelte van de woning heeft onderverhuurd, als gevolg waarvan het huurwaardeforfait voor haar slechts ten dele toepassing zou kunnen vinden. Artikel 42a, lid 2, (tekst 1989) van de Wet laat er geen twijfel over bestaan dat indien een eigenaar - of een vruchtgebruiker - van een woning een deel van die woning verhuurt, die woning in zoverre niet meer kan worden aangemerkt als een eigen woning en het huurwaardeforfait in zoverre buiten toepassing blijft; deze regel brengt voor belanghebbendes dochter mee dat de woning voor haar slechts als eigen woning kan worden aangemerkt voor zover zij niet is verhuurd. Daar komt bij dat het de opstellers van het amendement waaraan artikel 35, lid 5, zijn ontstaan heeft te danken, blijkens de door hen gegeven toelichting (Handelingen II, 1986/87, 19 741, blz. 3880) er speciaal om te doen was dubbele aftrek voor afschrijving (en groot onderhoud), namelijk één maal bij de eigenaar en één maal, verwerkt in het forfait, bij de gebruiker, te voorkomen. Een dergelijke situatie doet zich bij verhuur door de gebruiker niet voor. Derhalve geldt de in deze bepaling opgenomen beperking van de aftrekbare kosten bij belanghebbende slechts voor hetzelfde evenredige deel als waarvoor bij de dochter het door haar zelf bewoonde deel van de woning zich verhoudt tot de gehele woning (naar belanghebbende heeft gesteld 1/4). 3.6. Uit hetgeen onder 3.5 is overwogen volgt dat, nu voor de dochter in beginsel het huurwaardeforfait voor 250/525 geldt, bij een door haar zelf bewoond gedeelte van de woning van 1/4, het huurwaardeforfait voor haar van toepassing is voor 1/4 x 250/525, en dat mitsdien bij belanghebbende van de kosten slechts een gedeelte groot 1/4 x 250/525 daarvan onder de beperking van de aftrek valt. Daarbij valt op te merken dat het door belanghebbende aan huur ontvangen bedrag van f 1.100,-- niet is aan te merken als een voordeel als bedoeld in artikel 35, lid 5. 3.7. Uit het voren overwogene volgt dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. Nu het Hof niet heeft vastgesteld welk deel van de woning door de dochter was verhuurd kan de Hoge Raad de zaak niet afdoen en moet verwijzing volgen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e509ab21db160eb4c757c23e72b25a276ad91db2cb4f89c55eb7a98f886c3c77. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e509ab21db160eb4c757c23e72b25a276ad91db2cb4f89c55eb7a98f886c3c77, en de alinea staat in dat document op bytes 4962 tot 10242.