Citaat | Hoge Raad 29 maart 1994

Alinea 175 Hoge Raad 29 maart 1994

Een alinea uit Hoge Raad 29 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2076.

Ik ben in 1991 in contact gekomen met een bedrijf uit Venezuela dat een agent zocht die minerale stoffen wilde importeren en exporteren. Voor zover ik mij kan herinneren heette dit bedrijf iets van ‘’ […] ’’ (naar het hof uit de inhoud van het hierna onder 5 genoemde bewijsmiddel begrijpt:’’ […] ’’). Het bedrijf heeft mij in oktober 1991 bericht dat het een partij van 80.000 kilogram in containers naar Griekenland zou verschepen. De partij zou in november 1991 in Griekenland aankomen. Het bedrijf deelde mij daarna mee dat de partij lood (naar het hof begrijpt: via Griekenland) naar Nederland zou worden verscheept. Ongeveer 10 dagen voordat de partij aan zou komen in Griekenland heb ik bericht verstuurd naar Venezuela dat ik contant geld nodig had in verband met de douaneafhandelingen in Griekenland. Ik kreeg bericht dat ik mij geen zorgen hoefde te maken en dat men voor geld zou zorgen. Eén a twee dagen voordat de boot aan zou komen, werd mij telefonisch door een Nederlands sprekende man medegedeeld dat hij naar Griekenland zou komen om het geld te brengen en dat ik hem moest ophalen van het vliegveld van Athene. Ik heb hem toen ontmoet op het vliegveld. De man stelde zich voor als ‘’ [betrokkene 2] ’’ (naar het hof uit de inhoud van het hierna onder 6 genoemde bewijsmiddel begrijpt: [betrokkene 2] ) uit Nederland. Er kwamen vier 40-tons containers waar het lood inzat. Nadat er twee mannen met een vrachtwagen een loden kegel uit een van de containers hadden meegenomen, heb ik het resterende deel van de partij vanuit Griekenland laten verschepen naar Nederland op naam van mijn vriendin Britt Karik (het hof leest: [betrokkene 5] ). De vier containers zijn vervolgens in januari 1992 aangekomen in de Rotterdamse havens. Ik ben hierna persoonlijk naar de agent van het bedrijf, dat de goederen had verscheept, gegaan. Deze agent was ergens aan [e-straat] in [plaats] gevestigd. Ik hoorde daar dat ik voor de douaneafhandeling en voor de vervoerskosten totaal fl. 18.000,- nodig zou hebben. De goederen zouden dan worden gebracht naar de plaats van bestemming, een loods in [plaats] in de gemeente [plaats] . Ik had inmiddels op instructie van [betrokkene 2] een semafoon aangeschaft. [betrokkene 2] piepte mij vanaf dat moment diverse malen op en gaf mij dan een telefoonnummer op waar ik hem kon bereiken. Tijdens een van de telefoongesprekken met [betrokkene 2] heb ik hem verteld dat ik fl. 18.000,- nodig had voor de douaneafhandelingen. Ik heb [betrokkene 2] weer ontmoet in Rotterdam. Hij heeft mij toen de fl. 18.000,- overhandigd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1ebd7d9dddb0921a9e52214f1436ebe11130c9f4427e01a361b0fee9f20698b0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1ebd7d9dddb0921a9e52214f1436ebe11130c9f4427e01a361b0fee9f20698b0, en de alinea staat in dat document op bytes 76932 tot 79538.