Citaat | Hoge Raad 10 mei 1994
Alinea 34 Hoge Raad 10 mei 1994
Een alinea uit Hoge Raad 10 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9727.
5.4. Het vorenoverwogene brengt mee dat de rechter in een geval als het onderhavige, indien hij oordeelt dat het beslag niet behoeft te worden gehandhaafd in verband met de veiligstelling van de in art. 94 Sv vermelde belangen, zal moeten onderzoeken of de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan een belanghebbende onder wie het voorwerp niet is inbeslaggenomen en die of wel zelf een klaagschrift heeft ingediend dan wel tijdens de behandeling door de raadkamer om teruggave van het voorwerp heeft verzocht, op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord is. In de hiervoor onder 4 weergegeven overwegingen van de Rechtbank ligt besloten dat zulks zowel ten aanzien van de cheques en girobetaalkaarten als ten aanzien van bovenbedoeld paspoort — waarvan de Rechtbank heeft vastgesteld dat deze zijn ontvreemd en dat bovengenoemde belanghebbenden daarvan de rechthebbenden zijn — het geval is.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6ec8d12228bd02df034e2f6e9ca56c34ef7a47e6253bfa3b34d75cc9f28911df. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6ec8d12228bd02df034e2f6e9ca56c34ef7a47e6253bfa3b34d75cc9f28911df, en de alinea staat in dat document op bytes 14106 tot 15047.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/6ec8d12228bd02df034e2f6e9ca56c34ef7a47e6253bfa3b34d75cc9f28911df | shasum -a 256