Citaat | Hoge Raad 19 april 1995
Alinea 21 Hoge Raad 19 april 1995
Een alinea uit Hoge Raad 19 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA1532.
3.3.1. De middelen II en III keren zich met motiveringsklachten tegen 's Hofs oordeel volgens hetwelk de waardedaling van de aandelen E sinds de verwerving daarvan door B ten minste ƒ 5 miljoen bedroeg. Het Hof heeft aan dit oordeel onder meer ten grondslag gelegd de vaststelling in rechtsoverweging 3.14.4 van zijn uitspraak, dat de schuld van E aan J in 1981 nog geheel of nagenoeg geheel bestond. In rechtsoverweging 3.10.4 heeft het Hof evenwel vastgesteld dat van die lening in elk geval $ 4.400.560 was afgelost, en dat deze tevens voor een bedrag van $ 2.100.000 was vervangen door een andere lening. Aangezien deze vaststellingen niet met elkaar verenigbaar zijn, is 's Hofs uitspraak in zoverre onbegrijpelijk. Het Hof heeft in rechtsoverweging 6.11.3 de mogelijkheid opengelaten dat tot voormeld bedrag van $ 4.400.560 een informele kapitaalstorting door belanghebbende in E had plaatsgevonden. Mede gelet op vorenbedoelde vaststellingen is niet duidelijk, welke betekenis toekomt aan 's Hofs oordeel in die rechtsoverweging, dat de eventuele informele kapitaalinbreng in E leidt tot een vermindering van het bedrag van de liquidatie-uitkering voor zover betreffende de waarde van het pakket E. Het Hof heeft voorts in rechtsoverweging 6.10 van zijn uitspraak vastgesteld dat belanghebbende bij de waardering van de aandelen E is uitgegaan van het vermogen van E, zoals dat uit de balans van E bleek, zijnde kennelijk het bedrag van het aandelenkapitaal. Deze vaststelling vindt geen steun in hetgeen partijen volgens de bestreden uitspraak en de stukken van het geding voor het Hof hebben aangevoerd. Mede gelet op de omstandigheden dat E, naar tussen partijen niet in geschil was, over 1979 en 1980 winst heeft behaald, en dat mogelijkerwijs in E een informele kapitaalstorting had plaatsgevonden, waardoor het verlies van E op de vordering ten laste van D werd gecompenseerd, kon het Hof zonder nadere redengeving niet ervan uitgaan dat het vermogen van E volgens de balans overeenkwam met het bedrag van het aandelenkapitaal. Uit een en ander volgt dat de middelen II en III, voor zover zij inhouden dat 's Hofs oordeel betreffende de waarde van de door belanghebbende bij wijze van liquidatie-uitkering van B ontvangen aandelen E niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, doel treffen. Voor zover middel III tevens betoogt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het in zijn rechtsoverweging 3.14.2.2 gedeeltelijk weergegeven rapport van Morgan niet de waarde van de aandelen in E betreft, maar de waarde van de onderneming van E zonder rekening te houden met de vermogenspositie van deze vennootschap, faalt het, aangezien dit oordeel wegens zijn feitelijke aard niet op zijn juistheid kan worden getoetst, en geen nadere motivering behoefde dan door het Hof is gegeven.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ee6d7fd09afda667bac7915cb515d18543b41eb32d595f8a8d7fa39c7dfdefe2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ee6d7fd09afda667bac7915cb515d18543b41eb32d595f8a8d7fa39c7dfdefe2, en de alinea staat in dat document op bytes 10767 tot 13583.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ee6d7fd09afda667bac7915cb515d18543b41eb32d595f8a8d7fa39c7dfdefe2 | shasum -a 256