Citaat | Hoge Raad 28 juni 1995

Alinea 5 Hoge Raad 28 juni 1995

Een alinea uit Hoge Raad 28 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA1616.

3. Beoordeling van de middelen en ambtshalve aanwezig bevonden grond voor cassatie 3.1. In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende. Belanghebbende, die werkzaam is als belastinginspecteur, heeft in 1991 voor een bedrag van ƒ 1.419,-- uitgegeven aan vakliteratuur. De Inspecteur heeft bij de regeling van belanghebbendes aanslag hiervan slechts een bedrag van ƒ 750,-- als aftrekbare kosten in aanmerking genomen. Hij was op grond van een door hem ingesteld onderzoek naar de omvang van de uitgaven voor vakliteratuur bij werknemers in het hoger onderwijs en bij elf belastinginspecteurs van oordeel dat hetgeen belanghebbende in 1991 meer aan vakliteratuur had uitgegeven dan ƒ 750,-- overtrof wat in dat jaar gebruikelijk was. 3.2. Het Hof is de Inspecteur in deze zienswijze gevolgd. Het heeft daartoe redengevend geoordeeld dat er onvoldoende reden is de wet hier in afwijking van haar duidelijke bewoordingen aldus uit te leggen dat aftrek van kosten mogelijk is als zij binnen de grenzen van de redelijkheid zijn gemaakt en voorts dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het in 1991 gebruikelijk was dat met betrekking tot de door hem verworven inkomsten meer dan ƒ 750,-- aan kosten van vakliteratuur werd uitgegeven. 3.3. Artikel 35, lid 1, eerste volzin, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) bepaalt - voor zover hier van belang - dat kosten die zijn gemaakt tot verwerving, inning of behoud van de inkomsten waarop zij drukken, aftrekbaar zijn voor zover zij in hun totale omvang niet overtreffen hetgeen gebruikelijk is. De middelen stellen aan de orde aan de hand van welke maatstaf moet worden beoordeeld of het totaal van de kosten al dan niet overtreft hetgeen gebruikelijk is. 3.4. Het hier bedoelde aan de aftrekbaarheid van kosten gestelde vereiste is bij de Wet van 27 april 1989, Stb. 123, in artikel 35, lid 1, eerste volzin, van de Wet opgenomen ingevolge een door de Kamerleden Vermeend, Vreugdenhil en De Grave ingediend amendement dat blijkens de daarop gegeven toelichting ertoe strekte het begrip aftrekbare kosten aan te scherpen (Kamerstukken II, 1988/89, 20 873, nr. 39). 3.5. In het verdere verloop van de parlementaire behandeling zijn met betrekking tot dit amendement in het bijzonder de arresten van de Hoge Raad van 30 november 1977, nr. 18 586, BNB 1978/7, en van 7 mei 1980, nr. 19 874, BNB 1980/186, ter sprake gebracht (Handelingen II, 1988/89, blz. 39-2410 en 2435 en Handelingen UCV, 1988/89, nr. 26, blz. 50 en 53). Het Kamerlid Vreugdenhil merkte in dat verband op dat hij het niet nodig achtte het gehele gebouw van de kostenaftrek opnieuw op te zetten, maar dat het hem ging om een reparatie op het punt van de door de vermelde arresten mogelijk geworden onmatige omvang van de aftrekbare kosten. 3.6. In die arresten oordeelde de Hoge Raad dat in verband met een dienstbetrekking gedane uitgaven ten aanzien waarvan aan de overigens voor aftrek te stellen eisen is voldaan, toch niet als aftrekbare kosten in aanmerking kunnen komen indien zij de grenzen der redelijkheid te buiten gaan. Daarvan was sprake indien die uitgaven kennelijk onredelijk zijn, in die zin dat een zodanige wanverhouding bestaat tussen het beloop dier uitgaven en dat van de inkomsten tot verwerving, inning of behoud waarvan zij heten te strekken, dat geen redelijk denkend mens kan volhouden die uitgaven daartoe te doen. Die situatie deed zich in het toen berechte geval niet voor. 3.7. In het licht van hetgeen onder 3.5 en 3.6 is vermeld, moet worden aangenomen dat de door de wetgever beoogde "aanscherping" hierin bestaat nadat de aftrekbaarheid van de kosten is beoordeeld aan de hand van de in de rechtspraak ontwikkelde criteria, de vraag of de totale omvang van de kosten - van een bepaalde soort - binnen de grenzen der redelijkheid is gebleven niet langer moet worden beantwoord aan de hand van de door de Hoge Raad voorgeschreven marginale toetsing aan de redelijkheid maar dat daarvoor beslissend is of en in hoeverre die omvang overtreft hetgeen gebruikelijk is. 3.8. Voor uitgaven die betrekking hebben op inkomsten uit dienstbetrekking betekent dit dat het erop aankomt of de totale omvang van de uitgaven van een bepaalde soort, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen - waaronder bij bijvoorbeeld door de werkgever verstrekte voorzieningen en toegekende vergoedingen en hetgeen anderen die een zelfde of een soortgelijke dienstbetrekking vervullen daarvoor plegen uit te geven -, redelijkerwijs als normaal kan worden beschouwd. Deze beoordeling leent zich niet voor een uitsluitend cijfermatige benadering, en een zekere marge is daarbij onvermijdelijk. 3.9. Zoals is geoordeeld in het arrest van de Hoge Raad van 9 januari 1980, nr. 19 607, BNB 1980/74, rusten met betrekking tot de vraag of ten aanzien van de desbetreffende uitgaven de grenzen van de redelijkheid zijn overschreden, de stelplicht en de bewijslast op de inspecteur. Noch uit de tekst noch uit de geschiedenis van de totstandkoming van de eerste volzin van artikel 35, lid 1, van de Wet, zoals die volzin luidt sedert de Wet van 27 april 1989, Stb. 123, blijkt dat de wetgever op het punt van stelplicht en bewijslastverdeling van dit arrest heeft willen afwijken voor wat betreft het antwoord op de vraag of de kosten in hun totale omvang overtreffen hetgeen gebruikelijk is. 3.10. Uit het vorenoverwogene volgt dat het Hof de vraag of de door belanghebbende in 1991 voor vakliteratuur gedane uitgaven overtreffen hetgeen gebruikelijk is ten onrechte niet heeft beantwoord aan de hand van de in 3.8 bedoelde maatstaf en eveneens dat het Hof ten onrechte ervan is uitgegaan dat de bewijslast hier op de belastingplichtige rust. 3.11. De middelen zijn gegrond. De uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7fcae92efb76133c3bc124bbdcaeeadf40deeb12120b12547600367b01f0a210. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7fcae92efb76133c3bc124bbdcaeeadf40deeb12120b12547600367b01f0a210, en de alinea staat in dat document op bytes 5315 tot 11125.