Citaat | Hoge Raad 28 juni 1995
Alinea 7 Hoge Raad 28 juni 1995
Een alinea uit Hoge Raad 28 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA1622.
"In art. 18 Uit. reg. LB 1990 is bepaald dat het bedrag van de kosten die verband houden met het vervoer per auto bedoeld in art. 15, tweede lid, onderdeel c, Wet LB 1964, wordt gesteld op ƒ 0,44 per km. Mij zijn de volgende vragen gesteld: - Mag, bij reizen waarop het reiskostenforfait niet van toepassing is, naast de vergoeding van ƒ 0,44 ook een onbelaste vergoeding voor parkeer-, tol- en veergelden worden verstrekt? - Zijn deze kosten voor de werknemers te beschouwen als aftrekbare kosten? Ik heb hierop het volgende geantwoord. Op grond van art. 18 Uitv.reg. LB 1990 wordt het bedrag van de kosten die verband houden met het vervoer per auto bedoeld in art. 15, tweede lid, onderdeel c, Wet LB 1964, gesteld op een normbedrag van ƒ 0,44 per km. Onder deze beperking vallen alle kosten die "verband houden met" vervoer per auto. Tijdens de parlementaire behandeling is uitdrukkelijk medegedeeld dat het bedrag van ƒ 0,44 per km mede bestrijkt de kosten van bijvoorbeeld stalling (garage) en van het transport van de auto door een ander vervoermiddel zoals een veerboot; MvT Wet van 27 april 1989, Stb. 123, Kamerstuk 20 873, nr. 3 blz. 30. Ook parkeer- en tolgelden behoren naar mijn mening tot die kosten. Wel tellen, ten aanzien van de veergelden, de vaarkilometers mee als afgelegde afstand zodat ook voor de vaarkilometers ƒ 0,44 belastingvrij gegeven kan worden. Aan een forfaitaire regeling als deze is onverbrekelijk verbonden dat de werkelijke kosten belangrijk kunnen verschillen met de norm (i.c. het normbedrag van ƒ 0,44 per km). Dit gevolg is beoogd en voorzien. Tijdens de parlementaire behandeling van de voorstellen van de Commissie-Oort is dan ook geen grensbedrag voor parkeer-, tol en veergelden genoemd waarover lb/premie volksverzekeringen verschuldigd is. Ook voor de inkomstenbelasting geldt dat het bedrag van de kosten voor vervoer per auto als bedoeld in art. 8b, tweede lid, onderdeel b en 36, tweede lid, onderdeel c Wet IB 1964 wordt gesteld op een normbedrag van ƒ 0,44 per km. Voor de volledigheid wijs ik u nog op het volgende. Indien een werkgever parkeer-, tol- en/of veerkaarten aan de werknemer ter beschikking stelt is sprake van loon in natura. De waardering van dit door de werknemer genoten voordeel dient gesteld te worden op ten hoogste het bedrag van de besparing.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/39b386fc8b36f211dc120b135744b02d26d5bfa634b4845b8983c5e789c30d63. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 39b386fc8b36f211dc120b135744b02d26d5bfa634b4845b8983c5e789c30d63, en de alinea staat in dat document op bytes 6339 tot 8682.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/39b386fc8b36f211dc120b135744b02d26d5bfa634b4845b8983c5e789c30d63 | shasum -a 256