Citaat | Hoge Raad 28 juni 1995

Alinea 9 Hoge Raad 28 juni 1995

Een alinea uit Hoge Raad 28 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA1622.

3.2. Gelet op het bepaalde in artikel 11, lid 1, letter j, en artikel 15, lid 2, letter c, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet), gelezen in verbinding met artikel 18 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 (tekst 1990) is het Hof met juistheid ervan uitgegaan dat de door belanghebbende boven de vergoeding van 44 cent per kilometer vergoede parkeer- en tolgelden niet als onbelaste kostenvergoedingen kunnen worden aangemerkt en dat de vergoeding voor de autokosten in zoverre tot het loon behoort. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat het evenbedoelde gedeelte van de autokostenvergoeding niettemin niet aan de heffing van de loonbelasting is onderworpen omdat - naar het oordeel van het Hof - de onder 3.1 weergegeven mededeling voor wat betreft de in de vorm van parkeer-, tol en/of veerkaarten verstrekte vergoeding een van de strikte toepassing van de wet afwijkende, de betrokken belastingplichtigen begunstigende goedkeuring inhoudt en het gelijkheidsbeginsel dan meebrengt dat evenmin een belastbaar loonbestanddeel in aanmerking wordt genomen in geval parkeer- en tolkaarten worden aangeschaft met door de werkgever ter beschikking gestelde kredietkaarten en/of door hem daartoe verstrekte voorschotten. Deze oordelen worden door het middel bestreden. 3.3. In het middel wordt weliswaar met juistheid ervan uitgegaan dat - voor wat betreft kosten voor zover daarvoor de hierna in 3.5 bedoelde normeringen en beperkingen niet gelden - voor de toepassing van het gelijkheidsbeginsel het bij de regeling van niet in geld genoten loon en de bepaling van de besparing in de zin van artikel 13, lid 1, van de Wet enerzijds en de regeling van aftrekbare kosten en daarvoor in geld verstrekte vergoedingen anderzijds, gelet op het onderwerp van de onderscheiden regelingen, niet gaat om gelijke gevallen (Hoge Raad 1 februari 1995, nr. 30 025, BNB 1995/81). 3.4. Maar hoezeer - voor zover voor de onderhavige zaak van belang - in de gevallen waarin de werkgever aan de werknemer een kredietkaart of een voorschot verstrekt tot bestrijding van kosten van parkeren of het gebruik van tolwegen, sprake is van door de werknemer gemaakte kosten welke hem door de werkgever worden vergoed en, voor zover die vergoeding op grond van het bepaalde in artikel 11, lid 1, letter j, van de Wet tot het loon behoort, sprake is van loon in geld en in de gevallen waarin de werkgever aan de werknemer parkeer- of tolkaarten verstrekt, sprake is van loon in natura indien en voor zover te dier zake enig bedrag tot het loon moet worden gerekend, hieruit volgt niet reeds dat het middel gegrond is. 3.5. Immers door de werknemer gemaakte kosten die ingevolge de door de Wet van 27 april 1989, Stb. 123, in de Wet opgenomen beperkingen en normeringen niet of slechts beperkt aftrekbaar zijn, kunnen indien zij onder de in artikel 11, lid 1, letter j, van de Wet vermelde posten vallen, slechts tot het aftrekbare bedrag onbelast worden vergoed. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet van 27 april 1989, Stb. 123, blijkt niet dat de wetgever hierbij een onderscheid heeft willen maken tussen vergoedingen in geld en in andere vorm gegeven verstrekkingen ter bestrijding van kosten van de werknemer. Dit is in overeenstemming met de uit de wetsgeschiedenis blijkende zienswijze van de wetgever dat voor zover een kostenvergoeding meer bedraagt dan het normbedrag de vergoeding wordt geacht in zoverre betrekking te hebben op uitgaven voor privédoeleinden (Memorie van Antwoord, Kamerstukken II, 1988/89, 20 783, nr. 5, blz. 66-68; Kamerstukken I, 1988/89, 20 783, nr. 133c, blz. 12-13). 3.6. Indien nu, naar het Hof kennelijk heeft aangenomen, de in 3.1 weergegeven mededeling van de Staatssecretaris van Financiën zo moet worden uitgelegd dat in afwijking van het in 3.5 beschreven wettelijke systeem ter zake van het verstrekken van de in de mededeling bedoelde kaarten niets tot het loon wordt gerekend, ook niet indien en voor zover daardoor meer kosten van vervoer per auto voor rekening van de werkgever komen dan het in artikel 15, lid 2, letter c, van de Wet bedoelde bedrag, zou de mededeling neerkomen op een vrijstelling in zoverre van in natura genoten loon, voor welke vrijstelling de boven het evenbedoelde bedrag voor rekening van de werkgever gekomen kosten anders dan in de Wet voorzien als aftrekbare kosten zouden worden behandeld. In dat geval zou de toepassing van het gelijkheidsbeginsel meebrengen dat vergoedingen in geld op dezelfde wijze moeten worden behandeld en zou het in het middel bestreden oordeel van het Hof juist zijn (Hoge Raad 22 juni 1988, nr. 24 592, BNB 1988/259). 3.7. Er is evenwel geen reden de in 3.1 weergegeven mededeling anders op te vatten dan als een weergave van het in 3.5 beschreven wettelijke systeem zoals dat sedert de Wet van 27 april 1989, Stb. 123, geldt voor de heffing van de loon- en inkomstenbelasting ter zake van verstrekkingen tot dekking van kosten van vervoer met de eigen auto van de werknemer. 3.8. Het middel is derhalve gegrond. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/39b386fc8b36f211dc120b135744b02d26d5bfa634b4845b8983c5e789c30d63. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 39b386fc8b36f211dc120b135744b02d26d5bfa634b4845b8983c5e789c30d63, en de alinea staat in dat document op bytes 9068 tot 14191.