Citaat | Hoge Raad 21 juni 1995
Alinea 5 Hoge Raad 21 juni 1995
Een alinea uit Hoge Raad 21 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA1633.
3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Bij zijn overlijden in 1988 liet de erflater als wettelijke erfgenamen achter zijn echtgenote B, met wie hij blijkens een akte van 16 december 1963 buiten iedere gemeenschap van goederen - en, voor zover thans van belang, zonder verrekeningsbeding - was gehuwd, alsmede belanghebbenden, hun beider dochters. Reeds voor zijn huwelijk exploiteerde de erflater een, als eenmanszaak gedreven, autorijschool. Zijn echtgenote werkte daarin vanaf 1964, kort na het sluiten van het huwelijk, mee en gaf ook rijlessen; tot 1969 en na 1974 40 uren per week en, in verband met de opvoeding en verzorging van de kinderen, vanaf 1969 tot en met 1974 20 à 25 uren per week. Voor haar arbeidsprestaties, waarmee zij een reële bijdrage leverde aan de bedrijfsresultaten, heeft zij geen vergoeding gevraagd of ontvangen. In zijn aangiften voor de inkomstenbelasting heeft de erflater steeds een gedeelte van de in de onderneming behaalde winst fiscaal aan zijn echtgenote toegerekend. Omstreeks 1979 ontstond de situatie dat de werkzaamheden in de onderneming, waaronder het leidinggeven, in overwegende mate en vervolgens alleen door de echtgenote van de erflater werden gedaan. Zelf was hij steeds minder tot werken in staat. Volgens de GMD was hij in ieder geval op 15 oktober 1986 arbeidsongeschikt. Vanaf 15 oktober 1987 ontving hij een A.A.W.-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100. Als zuiver saldo van de nalatenschap is aangegeven een bedrag van ƒ 74.492,--. De Inspecteur heeft het saldo nader vastgesteld op ƒ 182.992,--. Van die som is een, in de aangifte als boedelschuld aan de echtgenote opgevoerd, bedrag van ƒ 100.000,-- in geschil. 3.2. Belanghebbenden hebben zich voor het Hof op het standpunt gesteld, dat genoemd bedrag van ƒ 100.000,-- op het saldo der nalatenschap in mindering moet worden gebracht omdat, kort samengevat: a) de echtgenote van de erflater, nu de door haar met name na 1979 in de onderneming verrichte werkzaamheden hebben geleid tot een vermogenstoename aan de zijde van de erflater, naar redelijkheid en billijkheid alsnog recht heeft op een ten laste van de boedel komende vergoeding van ƒ100.000,-- althans b) zij dit door haar als schuldig erkende bedrag aan de echtgenote van de erflater hebben geschonken, welke schenking als een fictieve verkrijging door de echtgenote als bedoeld in artikel 33, lid 1, aanhef en onder 12, tweede volzin, van de Successiewet 1956, hierna: de Wet, moet worden aangemerkt en dan in mindering komt op de verkrijging van de belanghebbenden. Het Hof, dat - in cassatie onbestreden - oordeelde dat belanghebbenden het bedrag van de gestelde vergoedingsaanspraak van ƒ 100.000,--, en derhalve het bedrag van de opgevoerde schuld, niet aannemelijk hebben gemaakt en ook niet dat het vermogen van de erflater door de werkzaamheden van de echtgenote met dat bedrag is toegenomen, heeft zowel het primaire als het subsidiaire standpunt van belanghebbenden verworpen. Tegen deze verwerping en de motivering daarvan richt zich het middel. 3.3. In verband met haar primaire standpunt hebben belanghebbenden voor het Hof onder meer aangevoerd dat de situatie binnen de autorijschool zich zo heeft ontwikkeld dat de echtgenote in de loop der jaren na 1979 feitelijk ondernemer is geworden. Tegen 's Hofs oordeel dat belanghebbenden dit niet hebben waargemaakt richt zich onderdeel 1 van het middel met de klacht dat het Hof daarbij blijkens rechtsoverweging 4.2.2 is uitgegaan van een onjuiste opvatting omtrent het begrip "feitelijk ondernemerschap" in het huwelijksvermogensrecht. 3.4. Uit de op het onderdeel gegeven toelichting blijkt dat belanghebbenden, door wie de echtgenote voor het Hof ook was aangemerkt als: de ondernemer, met "feitelijk ondernemerschap" hier op het oog ben de situatie van de echtgenoot die in een aan de andere echtgenoot toebehorende onderneming volledig of grotendeels het beleid bepaalt en de werkzaamheden verricht. Juist van het bestaan van die situatie is het Hof, dat met zijn in het onderdeel bestreden oordeel slechts tot uitdrukking heeft gebracht dat belanghebbenden niet aannemelijk hebben gemaakt dat de onderneming na 1979 geheel of ten dele voor rekening en risico van de echtgenote werd gedreven, bij de beoordeling van het primaire standpunt van belanghebbenden uitgegaan. Onderdeel 1 faalt derhalve bij gebrek aan belang. 3.5. De onderdelen 2, 3, 4 en 5 kunnen gezamenlijk worden behandeld. Zij richten zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van het Hof dat geen sprake is van (onvoorziene) omstandigheden op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat naar de eisen van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de tussen de erflater en diens echtgenote geldende huwelijkse voorwaarden aan de door deze laatste gepretendeerde vergoedingsaanspraak in de weg staan. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige als verweven met waarderingen van feitelijke aard in cassatie niet op zijn juistheid worden onderzocht. Het behoefde geen nadere motivering dan door het Hof is gegeven. Ook deze onderdelen van het middel treffen derhalve geen doel. 3.6. De onderdelen 6 en 7 falen op de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.4 onderscheidenlijk 3.5.4 vermelde gronden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0d2ba16f0c8233706c06464fe7b64b54fd4be9c92ca0cbc5bfffdc4b74a73240. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0d2ba16f0c8233706c06464fe7b64b54fd4be9c92ca0cbc5bfffdc4b74a73240, en de alinea staat in dat document op bytes 5933 tot 11315.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0d2ba16f0c8233706c06464fe7b64b54fd4be9c92ca0cbc5bfffdc4b74a73240 | shasum -a 256