Citaat | Hoge Raad 31 mei 1995
Alinea 10 Hoge Raad 31 mei 1995
Een alinea uit Hoge Raad 31 mei 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA1634.
4.6. Naar deze passage - waarin de omschrijving van de gecorrigeerde vervangingswaarde wordt gegeven waarnaar de Hoge Raad vervolgens in zijn advies heeft verwezen - wordt in de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp (zitting 1982-1983, 17.653, nr. 3, blz. 4) verwezen ter verduidelijking van de aan het waarderingsvoorschrift ten grondslag liggende gedachtengang. Het hier weergegeven betoog komt erop neer dat de waarde die de onroerende zaak voor de eigenaar in economisch opzicht heeft, wordt gevonden door uit te gaan van de veronderstelling dat voor die zaak een markt zou zijn waarop de tegenwoordige eigenaar niet alleen als verkoper zou opereren, maar tevens als koper die de zaak zou willen verwerven met handhaving van aard en bestemming ervan, en dat dit voor incourante onroerende zaken zou resulteren in een waarde die overeenstemt met de vervangingswaarde met inachtneming van de technische en functionele veroudering die sinds de stichting is opgetreden. In deze gedachtengang is het vanzelfsprekend dat in gevallen waarin het gaat om een in de commerciële sfeer gebezigde courante onroerende zaak, waarvoor dus werkelijk een markt bestaat, indien de beste koper degene is die de zaak zou willen verwerven met handhaving van aard en bestemming ervan, de gecorrigeerde vervangingswaarde in beginsel niet kan afwijken van de waarde in het economische verkeer. 4.7. Uitgaande van het vorenstaande heeft het Hof vervolgens op grond van een nadere beoordeling van hetgeen tussen partijen vaststond omtrent de door hen op ƒ 2.530.000,-- gestelde gecorrigeerde vervangingswaarde van het onderhavige complex en van de beschouwingen van belanghebbende omtrent de door haar op ƒ 1.545.000,-- gestelde waarde in het economische verkeer van het complex, geoordeeld dat de heffingsgrondslag ten bedrage van ƒ 2.415.000,-- niet op een te hoog bedrag is vastgesteld, welk oordeel inhoudt dat de aan het complex toe te kennen waarde in het economische verkeer als bedoeld in artikel 3, leden 1 en 2, van de Verordening ten minste op laatstvermeld bedrag moet worden gesteld. Dit oordeel kan als berustende op de aan het Hof voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen en geen nadere motivering behoevende in cassatie niet met vrucht worden bestreden. 4.8. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat onderdeel 1 van het middel en het daarop voortbouwende onderdeel 3 eveneens falen. Ook onderdeel 4 faalt. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering nu de in dit onderdeel vervatte klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/17520863c675e18a003ad517742a6f861e43c3edc42db7f94e37aa2296b3488d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 17520863c675e18a003ad517742a6f861e43c3edc42db7f94e37aa2296b3488d, en de alinea staat in dat document op bytes 13201 tot 15877.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/17520863c675e18a003ad517742a6f861e43c3edc42db7f94e37aa2296b3488d | shasum -a 256