Citaat | Hoge Raad 18 januari 1995
Alinea 5 Hoge Raad 18 januari 1995
Een alinea uit Hoge Raad 18 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA3049.
3. Beoordeling van de klachten 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Op 6 februari 1990 is overleden A, nalatende als erfgenamen bij versterf zijn met elkaar gehuwde, niet van tafel en bed gescheiden ouders, belanghebbenden, elk voor één derde gedeelte en van zijn zuster, eveneens voor één derde gedeelte van zijn nalatenschap. De Inspecteur heeft ten aanzien van belanghebbenden het bepaalde in artikel 25 van de Successiewet 1956 (hierna: de Wet) toegepast en de ingevolge die bepaling samengevoegde verkrijgingen, verminderd met de vrijstelling als bedoeld in artikel 32, lid 1, aanhef en 4°, letter f, van de Wet. 3.2. In cassatie is aan de orde de vraag of de heffing met toepassing van artikel 25 van de Wet leidt tot een door artikel 26 IVBP verboden ongelijke behandeling van ouders als belanghebbenden ten opzichte van niet met elkaar gehuwde, maar wel samenwonende ouders, wier verkrijgingen immers voor de berekening van het recht van successie niet worden aangemerkt als verkrijgingen door een van hen en die elk voor zich aanspraak hebben op de vrijstelling van artikel 32, lid 1, aanhef en 4°, letter f, van de Wet.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/70a00f63cc6ca62c309fa83f8c17d42743b6d969f072a3fd8d405a6352c0b70c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 70a00f63cc6ca62c309fa83f8c17d42743b6d969f072a3fd8d405a6352c0b70c, en de alinea staat in dat document op bytes 5574 tot 6742.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/70a00f63cc6ca62c309fa83f8c17d42743b6d969f072a3fd8d405a6352c0b70c | shasum -a 256