Citaat | Hoge Raad 11 januari 1995

Alinea 152 Hoge Raad 11 januari 1995

Een alinea uit Hoge Raad 11 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA3054.

"6.5.4. Voor zover de regeling van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder e, in verbinding met artikel 32a van de [Wet LB 1964] inhoudt, dat de bestuurder te wiens aanzien een strafvervolging als hiervoor bedoeld wordt ingesteld, voor schuldig wordt gehouden tenzij en voor zover hij het tegendeel aannemelijk maakt, is zij niet verenigbaar met het in artikel 6, tweede lid, van het Verdrag vervatte vermoeden van onschuld, zodat zij in zoverre krachtens (...) artikel 94 van de Grondwet buiten toepassing moet blijven. De inspecteur dient bij het aansprakelijk stellen van een bestuurder voor een administratieve boete, belopen door het lichaam, zodanige feiten en omstandigheden te stellen en, bij betwisting, te bewijzen dat daaruit volgt dat sprake is van

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d37edffbcaa41faf3b404bae112c88e3891bd26b8b79c33520da0860daa95232. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d37edffbcaa41faf3b404bae112c88e3891bd26b8b79c33520da0860daa95232, en de alinea staat in dat document op bytes 53920 tot 54694.