Citaat | Hoge Raad 11 januari 1995
Alinea 40 Hoge Raad 11 januari 1995
Een alinea uit Hoge Raad 11 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA3054.
2.3.2.De bedoeling van deze laatste woorden is kennelijk dat de bestuurder, als de rechtspersoon niet aan zijn meldingsplicht heeft voldaan, ten aanzien van deze oude schulden direct mag bewijzen dat van kennelijk onbehoorlijk bestuur geen sprake is geweest en - anders dan art. 32a, lid 3 Wet LB 1964 voorschrijft - niet eerst behoeft te bewijzen dat ook het niet nakomen van de meldingsplicht niet aan hem te wijten is geweest (zie onderdeel 11 van mijn conclusie voor HR 22 december 1993 nr. 28.672, BNB 1994/151). Ook in dit geval moet het gaan om kennelijk onbehoorlijk bestuur begaan in de drie jaren voorafgaande aan het tijdstip waarop de rechtspersoon de betalingsonmacht had moeten melden. Is de afdracht van loonbetaling opzettelijk achterwege gelaten, dan dient de bestuurder, zoals ik in onderdeel 7.3. van mijn conclusie voor de bij Uw Raad onder nr. 28.997 aanhangige zaak uiteen heb gezet, gelet op de strekking van de regeling eveneens aansprakelijk te zijn. Verder geldt, nu art X WBA daarover niet spreekt, ook voor deze oude gevallen dat de bestuurder conform de hoofdregel ook de omvang van de schuld bestrijden mag, tenzij de rechter de juistheid daarvan al beoordeeld heeft (art. 32a, leden 2 en 3, laatste zin j? lid 8 Wet LB 1964).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d37edffbcaa41faf3b404bae112c88e3891bd26b8b79c33520da0860daa95232. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d37edffbcaa41faf3b404bae112c88e3891bd26b8b79c33520da0860daa95232, en de alinea staat in dat document op bytes 15190 tot 16459.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d37edffbcaa41faf3b404bae112c88e3891bd26b8b79c33520da0860daa95232 | shasum -a 256