Citaat | Hoge Raad 11 januari 1995
Alinea 83 Hoge Raad 11 januari 1995
Een alinea uit Hoge Raad 11 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA3054.
4.4.Voor die laatste opvatting pleit, dat de enkele omstandigheid dat een vervolging gevolgen heeft voor een derde, op zich nog niet betekent dat ook ten aanzien van die derde van een vervolging in de zin van art. 6 EVRM kan worden gesproken [EHRM 24 oktober 1986, (zaak-Agosi), Publ. EHRM serie A vol. 108]. Daarvoor pleit verder, dat de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens (ECRM) in een aantal beslissingen heeft benadrukt dat art. 6, lid 2 EVRM betrekking heeft op de vaststelling van de gegrondheid van de vervolging en niet meer kan worden ingeroepen als die gegrondheid is vastgesteld en het nog slechts gaat om de tenuitvoerlegging van de straf. Deze beslissingen van de ECRM betreffen echter de tenuitvoerlegging van de straf jegens de veroordeelde en niet de tenuitvoerlegging daarvan jegens een derde.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d37edffbcaa41faf3b404bae112c88e3891bd26b8b79c33520da0860daa95232. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d37edffbcaa41faf3b404bae112c88e3891bd26b8b79c33520da0860daa95232, en de alinea staat in dat document op bytes 31584 tot 32427.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d37edffbcaa41faf3b404bae112c88e3891bd26b8b79c33520da0860daa95232 | shasum -a 256