Citaat | Hoge Raad 22 maart 1995

Alinea 5 Hoge Raad 22 maart 1995

Een alinea uit Hoge Raad 22 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA3076.

3. Beoordeling van het middel 3.1. Ingevolge artikel 42, lid 3, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) wordt ingeval aan een belastingplichtige in verband met het verrichten van arbeid een personenauto ter beschikking is gesteld, kort gezegd, twintig percent van de catalogusprijs van de auto tot de inkomsten uit arbeid gerekend. Ingevolge lid 4 van die bepaling, dat bij de Wet van 4 juli 1990 tot wijziging van de inkomstenbelasting en de loonbelasting (aftopping reiskostenforfait), Stb. 355, daarin is opgenomen, bedraagt bedoeld percentage vierentwintig in de gevallen waarin, kort gezegd, het woon-werkverkeer met die auto plaatsvindt over een enkele-reisafstand van meer dan 30 kilometer. 3.2. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet van 4 juli 1990, waarmee werd beoogd een bijdrage te leveren aan het terugdringen van zowel het autoverkeer als het woon-werkverkeer als zodanig (Kamerstukken II 1989/90, 21 397, nr. 8, blz. 1), blijkt dat de wetgever, door ter zake van het gebruik van de aan de belastingplichtige in verband met het verrichten van arbeid ter beschikking gestelde personenauto voor het woon-werkverkeer over een afstand van meer dan 30 kilometer forfaitair vier percent van de catalogusprijs van de auto tot de inkomsten uit arbeid te rekenen, op globale wijze heeft willen aansluiten bij de ingevolge evenbedoelde Wet van 4 juli 1990 in artikel 36, lid 2, letter a, van de Wet opgenomen beperking van de aftrekbare kosten die verband houden met het woon-werkverkeer over een afstand van - eveneens - meer dan 30 kilometer. 3.3. De wetsgeschiedenis biedt geen aanknopingspunt voor de aan het middel ten grondslag liggende stelling dat de wetgever door de invoering bij de Wet van 4 juli 1990 van een verhoogd percentage het tot de inkomsten uit arbeid te rekenen voordeel wegens gebruik voor privé-doeleinden van de aan de belastingplichtige voor het verrichten van arbeid ter beschikking gestelde personenauto verschillend heeft willen belasten naar gelang van de afstand tussen de woning en de plaats waar de arbeid wordt verricht. Het middel faalt derhalve. 3.4. In dit geding is niet aan de orde gesteld de vraag of de in het vierde en vijfde lid van artikel 42 neergelegde regeling een verboden ongelijke behandeling inhoudt ten opzichte van de gevallen waarin een door de werkgever ter beschikking gestelde auto voor minder dan 1000 km per jaar voor privé-doeleinden wordt gebruikt. Die vraag moet evenwel thans blijven rusten omdat het antwoord daarop mede een onderzoek van feitelijke aard vergt waarvoor in cassatie geen plaats is.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6feec1ab5840d3ff1d547b4a8419f1e700642b8d4cf2b4dea43f90b9bdc7e03f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6feec1ab5840d3ff1d547b4a8419f1e700642b8d4cf2b4dea43f90b9bdc7e03f, en de alinea staat in dat document op bytes 5265 tot 7879.