Citaat | Hoge Raad 22 november 1995
Alinea 5 Hoge Raad 22 november 1995
Een alinea uit Hoge Raad 22 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA3143.
3. Beoordeling van de klachten en ambtshalve aanwezig bevonden grond voor cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Bij belanghebbende is bij een in augustus 1991 ingesteld boekenonderzoek voor de loonbelasting vastgesteld dat in 1990 een aantal personen, die niet bij naam bekend zijn, voor belanghebbende in dienstbetrekking werkzaamheden heeft verricht. Belanghebbende heeft aan deze personen terzake van de door hen verrichte werkzaamheden betalingen gedaan tot een bedrag van ƒ 12.637,--. Op deze betalingen hebben geen inhoudingen plaatsgevonden. Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft de Inspecteur over 1990 een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, waarbij hij de uitbetaalde nettolonen van ƒ 12.637,-- heeft gebruteerd en daarop het tarief anonieme werknemers als bedoeld in artikel 26b, tweede volzin, van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst tot 1 juni 1994, hierna: de Wet) heeft toegepast, uitgaande, na brutering, van een brutoloon van ƒ 40.554,--. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur de onderhavige naheffingsaanslag terecht heeft opgelegd naar een gebruteerd loon en met toepassing van het tarief van artikel 26b van de Wet. 3.3. In cassatie voert belanghebbende aan dat de namen van de werknemers bij haar bekend waren. Nu belanghebbende aldus in cassatie feiten aanvoert waarvan uit de uitspraak van het Hof en de stukken van het geding niet blijkt dat daarop ook reeds voor het Hof een beroep is gedaan, kan op die feiten geen acht worden geslagen, omdat zulks een onderzoek van feitelijke aard zou vergen, waarvoor in cassatie geen plaats meer is. In zoverre kunnen de klachten dus niet tot cassatie leiden. 3.4. Voor het overige kunnen de klachten evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 3.5. Het Hof heeft met betrekking tot de stelling van belanghebbende dat het absurd is dat over netto-betalingen van ƒ 12.637,-- een bedrag van ƒ 24.601,-- aan loonbelasting en premie volksverzekeringen wordt geheven, geoordeeld dat die stelling niet aan de juistheid van de naheffingsaanslag kan afdoen. 3.6. Dit oordeel behoefde echter nadere motivering. Immers, gelet op de bij de zogenaamde brutering te bezigen percentages aan overhevelingstoeslag en aan premies sociale werknemersverzekeringen, zoals die voor het onderhavige loontijdvak golden, is aan de juistheid van de door de Inspecteur uitgevoerde berekening van het bij nettoloonbetalingen van in totaal ƒ 12.637,-- behorende brutoloon zodanige twijfel gerechtvaardigd, dat het Hof niet van de juistheid op dit punt van de naheffingsaanslag had mogen uitgaan zonder zich ervan te vergewissen dat de Inspecteur de berekening correct heeft uitgevoerd. 3.7. Nu uit de uitspraak van het Hof niet blijkt dat het Hof zich daarvan heeft vergewist, zodat - mede in aanmerking genomen dat ook de stukken van het geding over die berekening geen uitsluitsel geven - ervan moet worden uitgegaan dat het Hof zulks niet heeft gedaan, kan de uitspraak niet in stand blijven en moet verwijzing volgen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f2ea7c560206baf5f65e6ac3802dbbbc2e9bff0b2697e36f555ca655a5dd091d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f2ea7c560206baf5f65e6ac3802dbbbc2e9bff0b2697e36f555ca655a5dd091d, en de alinea staat in dat document op bytes 5349 tot 8612.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f2ea7c560206baf5f65e6ac3802dbbbc2e9bff0b2697e36f555ca655a5dd091d | shasum -a 256