Citaat | Hoge Raad 20 december 1995
Alinea 5 Hoge Raad 20 december 1995
Een alinea uit Hoge Raad 20 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA3163.
3. Beoordeling van de middelen 3.1. Belanghebbende was op 1 januari 1991 eigenaar van enige te Alkmaar gelegen onroerende zaken waarin voornamelijk een grootwinkelbedrijf wordt geëxploiteerd. Deze zaken zijn gebaat bij de aanwezigheid van de in de binnenstad van Alkmaar gelegen, op verzoek van het bedrijfsleven gebouwde parkeergarage A. Bewoners van die binnenstad kunnen tegen een jaarlijkse vergoeding van - in 1991 - ƒ 414,-- een (overdekte) parkeerplaats huren. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de in de Verordening baatbelasting parkeergarage A opgenomen vrijstelling voor woonruimten niet in strijd is met het recht. Het heeft daaraan ten grondslag gelegd zijn oordeel dat, in aanmerking genomen dat een parkeergarage in het algemeen en ook in Alkmaar een te verwaarlozen functie vervult voor mensen die bij elkaar op bezoek gaan en dat bewoners van de Alkmaarse binnenstad tegen betaling van een jaarlijkse huur van - in 1991 - ƒ 414,-- een parkeerplaats in A kunnen huren, die woonruimten door A minimaal zijn gebaat. Dit oordeel, waarmee het Hof tot uitdrukking heeft gebracht dat bedoelde woonruimten als zodanig slechts in te verwaarlozen mate door de parkeergarage A meer woongenot bieden en daardoor voor de toepassing van artikel 273a van de Gemeentewet (tekst 1991) slechts in te verwaarlozen mate door de parkeergarage A zijn gebaat, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Voor zover middel 1 berust op een andere opvatting faalt het derhalve. 3.3. Voor zover middel 1 is gericht tegen het oordeel van het Hof dat de gemeentelijke wetgever in de ontvangst van een subsidie als bijdrage in de kosten van de garage ten behoeve van de binnenstadbewoners een voldoende reden kon zien om de bewoners, waarmee het hof kennelijk bedoelt: de in de Verordening omschreven woonruimten, vrij te stellen, kan het niet tot cassatie leiden, nu dit oordeel door het Hof ten overvloede is gegeven. 3.4. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de gemeentelijke wetgever in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor de vloeroppervlakte als grondslag voor de heffing, nu aannemelijk is dat andere grondslagen vergelijkbare of grotere bezwaren met zich mee zouden hebben gebracht. Hiermee heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat de gekozen grondslag niet leidt tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing of anderszins in strijd is met enig algemeen rechtsbeginsel. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk niet met vrucht in cassatie worden bestreden. Middel 2 faalt eveneens.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/41d855e940b95b20b1146c63ca50101d241392a2516e8cb0510c4efd100fb90a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 41d855e940b95b20b1146c63ca50101d241392a2516e8cb0510c4efd100fb90a, en de alinea staat in dat document op bytes 5288 tot 8005.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/41d855e940b95b20b1146c63ca50101d241392a2516e8cb0510c4efd100fb90a | shasum -a 256