Citaat | Hoge Raad 1 november 1995

Alinea 14 Hoge Raad 1 november 1995

Een alinea uit Hoge Raad 1 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA3173.

3.5. Het voorgaande brengt mee dat het bestreden oordeel op een onjuiste opvatting van het bepaalde in artikel 41 van de Wet berust. Gezien het hiervóór in 3.1.1 vermelde - in cassatie onbestreden gebleven - oordeel, moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat de vervreemding van de aandelen in 1989 heeft plaatsgehad. Dit brengt mee dat de Inspecteur ten onrechte een bedrag als ter zake van die vervreemding genoten winst uit aanmerkelijk belang in de aanslag over het onderhavige jaar heeft begrepen. Het middel treft mitsdien doel. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een behandeling van het in 's Hofs uitspraak onder 3, letter c, aangeduide punt van geschil. De middelen I, III en IV behoeven geen behandeling.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/de2e9ab4861aa55283c546ea1938dd66ab4309d44891bc7048297bdb4bf1894f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt de2e9ab4861aa55283c546ea1938dd66ab4309d44891bc7048297bdb4bf1894f, en de alinea staat in dat document op bytes 10960 tot 11731.